Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

runt, et virgines in civitatibus Juda.

12. Principes manu suspensi sunt: facies senum non erubuerunt.

13. Adolescentibus impndice abusi sunt: et pueri in ligno corruerunt.

14. Senes defecerunt de portis: juvenes de choro psallentium.

15. Defeoit gaudium cordis nostri: versus est in luctum chorus noster.

16. Cecidit corona capitis nostri: vae nobis, quia peccavimus.

17. Propterea mcestum factum est cor nostrum, ideo contenebrati sunt oculi nostri.

18. Propter montem Sion quia disperiit, vulpes ambulaverunt in eo.

19. Tu autem Domine in aeternum permanebis, solium tuum in generationem et generationem.

20. " Quare in perpetuum oblivisceris nostri? darelinques nos in longitudine dierum?

21. Converte nos Domine ad te,

onteerd en jonkvrouwen in de steden van Juda.

12. Vorsten Werden door hunne hand opgehangen, het aangezicht der grijsaards ontzagen zij niet12).

13. Jongelingen misbruikten zij ontuchtig, en knapen stortten neder onder het hout13).

14. De oudsten zij n verdwenen van de poorten1*), de jongelingen uit het koor der psalmzangers.

15. Vervlogen is de vreugde van óns hart, in rouw verkeerd is onze rondzang.

16. Gevallen is de kroon van ons hoofd15); wee ons, omdat wij gezondigd hebben!

17. Daarom werd ons hart diep bedroefd, daarom zijn onze oogen verduisterd16)!

18. Om den berg Sion, omdat hij verwoest is, vossen loopen daarop rond17)!

19. Maar Gij, o Heer, Gij blijft in eeuwigheid, uw troon van geslacht tot geslacht18)!

20. Waarom zoudt Gij ons voor immer vergeten, ons verlaten in lengte van dagen1*)?

21. Bekeer ons tot u, o Heer, en

") Wellicht zijn de Jer. XXXIX 6 gedoode vorsten bedoeld, wier lijken aan palen werden opgehangen naar de wijze der Hebreërs; zie Deut. XXI-22, 23; vgl. I Reg. XXXI 10. Volgens anderen geschiedde dit onmiddellijk na de inneming der stad door de wreede overwinnaars. Zie IV 16 en vgl. Lev. XIX 32, waar facies senum naar den zin vertaald is door personam senis, den persoon des grijsaards.

'") Hebr.: «Jongelingen laten zij den molen dragen»; zie Exod. XI noot 6; Is. XLVII 2. Dit was het werk der slaven, evenals het torsen van zware vrachten met hout boven de krachten der knapen. De H. Hiër. nam de uitdrukking «den molen dragen en draaien» in overdrachtelijken zin evenals Job XXXI 10. Hier echter blijkens het tweede verslid minder juist.

") Van de pleinen bij de stadspoorten, waar de oudsten recht spraken en

de jongelingen zich door zang en muziek vermaakten. Zie Jer. VII 34; XVI 9.

") Al wat aan Juda tot eer strekte, vooral het koningschap en de tempel. Vgl. Jer. XIII 18.

'*) Verduisterd door het weenen; I 22; II 11.

") Omdat de tempel en het paleis op Sion zijn neergehaald; tot bewijs der verwoesting ea der verlatenheid dier eenmaal zoo drukke en heilige plaats loopen thans vossen, volgens anderen jakhalzen, daarop rond.

**) Al is Gods troon op Sion vernietigd, zoo blijft Gods troon in den hemel in alle eeuwigheid (vgl. Ps. Cl 13); als de eeuwige God zal Hij, krachtens zijne belofte aan David (II Reg. VII 14 volg.), zijn Rijk op Sion eenmaal herstellen.

") Dit toch zou strijden met de in noot 18 vermelde belofte.

Sluiten