Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Obliti enim estis Deum, qui nutrivit vos, et contristastis nutricem vestram Jerusalem.

9. Vidit enim iracundiam a Deo venientem vobis, et dixit: Audite confines Sion, adduxit enim mihi Deus luctum magnum:

1(X Vidi enim captivitatem populi mei, filiorum meorum, et füiarum, quam superduxit illis aeternus.

11. Nutrivi enim illos cum jucunditate: dimisi autem illos cum fletu et luctu.

12. Nemo gaudeat super me viduam, et desolatam: a multis derelicta sum propter peccata filiorum meorum, quia declinaverunt a lege Dei.

13. Justitias autem ipsius nescierunt, nee ambula verunt per vias manda torum Dei, neque per semitas veritatis ejus cum justitia ingressi sunt

14. Veniant confines Sion, et memorentur captivitatem filiorum, et füiarum mearum, quam superduxit illis aeternus.

15. Adduxit enim super illos gentem de longinquo, gentem improbam, et alterius linguae:

16. Qui non sunt reveriti senem, neque puerorum miserti sunt, et abduxerunt dilectos viduae, et a filiis unicam desolaverunt

17. Ego autem quid possum ad juvare vos?

afgoden. Vgl. I Cor. X 20. Ook in Deut XXXII 17 vertaalde de Septuag. het Hebr. «sjedim» door «daimonia».

*) God was als een vader, die u heeft opgevoed, en Jerusalem was de moeder des volks, die hier als eene van hare kinderen verlaten weduwe treurt; zie Is. LIV 1—6.

*) Sion's weeklacht (v. 9—29). Zij richt eerst (v. 9—16) het woord tot de naburige steden, vervolgens (v. 17—29) I tot de wegens hunne ongehoorzaamheid verbannen kinderen.

") Confines Sion, Septuag. «paroikoi Sion», eigenlijk «omwoners van Sion», I

8. Immers hebt gij God vergeten, die u heeft opgevoed, en bedroefd hebt gij uwe voedster Jerusalem8).

9. Zij toch zag de gramschap van God over u komen, en zij zeide9): Hoort, naburen van Sion10), want God heeft groot leed over mij gebracht!

10. Dc toch heb de gevangenschap gezien van mijn volk, van mijne zonen en dochters, welke de Eeuwige over hen gebracht heeft.

11. Want ik voedde hen op met vreugde, maar ik liet hèn heengaan met geween en smart.

12. Niemand verheuge zich over mij, weduwe en eenzame11)! Door velen12) werd ik verlaten om de zonden mijner kinderen, omdat zij zijn afgeweken van de wet Gods,

13. en zijne rechten niet kenden, noch wandelden op de wegen van Gods geboden, noch de paden zijner waarheid13) naar de gerechtigheid betraden.

14. Dat zij komen, de naburen van Sion, en gedenken de gevangenschap mijner zonen en dochters, welke de Eeuwige over hen gebracht heeft1*).

15. Want Hij heeft over hen gebracht een volk van verre, een snood volk en van vreemde spraak15),

16. die den grijsaard niet ontzagen noch met de kinderen medelijden hadden, en die de lievelingen der weduwe ontvoerden en de eenzame beroofden van dochters.

17. Ik echter, hoe kan ik u helpen1*) ?

beduidt hier de naburige steden, zooals de andere Lat vertaling uitdrukt, «steden van Sion».

") Zie Thren. I 1.

") Door mijne talrijke kinderen.

") Septuag.: «de paden der tucht», d. i. der wijsheid.

") Zie v. 9, 10. De Eeuwige schijnt de vertaling van den naam «Jahve»; vgl. Deut. XXVHI 49: «De Heer («Jahve») zal over u brengen een volk van verre», gelijk in het hier volgende v. 15.

") Zie Ps. LXXX 6; Is. XXVIII11.

u) Sion richt nu het woord tot hare verbannen kinderen (v. 17—29). Zij,

Sluiten