Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Delicati mei ambulaverunt vias asperas: ducti simt enim ut grex direptus ab inimicis.

27. Animaequiores estote filii, et proclamate ad Dominum: erit enim memoria vestra ab eo, qui duxit vos.

28. Sicut enim fuit sensus vester ut erraretis a Deo: decies tantum iterum convertentes requiretis eum.

29. Qui enim induxit vobis mala, ipse rursum adducet vobis sempiternam jucunditatem cum salute vestra.

30. Animaequior esto Jerusalem, exhortatur enim te, qui te nominavit.

31. Nocentes peribunt, qui te vexaverunt: et qui gratulati sunt in tua ruina, punientur:

32. Civitates, quibus servierunt filii tui, punientur: et quae accepit filios tuos.

33. Sicut enim gavisa est in tua ruina, et laetata est in casu tuo, sic contristabitur in sua desolatione.

34. Et amputabitur exsultatio multitudinis ejus, et gaudimonium ejus erit in luctum.

35. Ignis enim superveniet ei ab aeterno in longiturnis diebus, et habitabitur a daemoniis in multitudine temporis.

26. Mijne teedere kinderen hebben ruwe wegen bewandeld; zij toch werden weggevoerd als eene kudde door vijanden geroofd.

27. Schept moed, kinderen, en roept luide tot den Heer; uw aandenken toch zal zijn bij Hem, die u heeft weggevoerd23).

28. Want gelijk het uwe gezindheid was af te dwalen van God, zoo zult gij, u weder bekeerend, met tienvoudigen ijver Hem zoeken.

29. Hij toch, die onheilen over u gebracht heeft, Hij zal met uw heil weder eeuwigdurende vreugde over u brengen.

30. Schep moed, Jerusalem, want Hij bemoedigt u, die u eenen naam heeft gegeven24)!

31. De boosdoeners zullen omkomen, die u mishandeld hebben; en zij, die zich verheugden over uwen val, zullen gestraft worden25).

32. De steden, aan welke uwe kinderen dienstbaar waren, zullen gestraft worden; ook zij, die uwe kinderen heeft opgenomen26).

33. Want gelijk zij zich verheugd heeft over uwen ondergang en zich verblijd heeft over uwen val, zoo zal zij treuren over hare verwoesting27).

34. En het gejuich harer menigte zal worden afgesneden, en hare vreugde zal verkeeren in rouw28).

35. Want vuur zal van den Eeuwige over haar komen voor langdurige dagen, en zij zal door duivelen bewoond worden in lengte van tijd29).

**) M. a. w. God, die u gestraft heeft, zal zich uwer ontfermen.

**) Nu richt de profeet (tot aan V 9) het woord tot de diepbedroefde moeder Jerusalem en troost haar: ten eerste omdat God haar den naam gaf van stad des Heeren, heilige stad (zie Is. XLVIII 2; LH 1; LX 14), welke naam het onderpand is van 's Heeren bijzondere bescherming en van hare onvergankelijkheid. Bemoedigt u, Septuag.: «troost u». Vgl. IÏ Cor. I 4, 6.

") Septuag.: «Ellendig zij (of «wee hun»), die u mishandeld hebben». Die

zich verheugden, b. v. de Edomieten, zie Thren. IV 21. Eene tweede troostreden is de ondergang van Sion's vijanden (v. 31—35).

*•) Septuag.: «Wee over de steden, aan welke uwe kinderen dienstbaar waren! Wee over haar (de stad Babel), die uwe kinderen (in gevangenschap) opnam!»

") Zie Jer. L 11, 13, 23.

*8) In de Septuag. wordt God sprekend ingevoerd: «En Ik zal haar gejubel over (haar) talrijk volk onderdrukken» enz. Vgl. Jer. L 35—39. •Vuur over Babyion, zie Jer. LI

Sluiten