Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44. Omnia autem quse illis fiunt, falsa sunt. Quomodo aestimandum, aut dicendum est, illos esse deos?

45. A fabris autem, et ab aurificibus facta sunt. Nihil aliud erunt, nisi id quod volunt esse sacerdotes.

46. Artifices etiam ipsi, qui ea faciunt, non sunt multi temporis. Numquid ergo possunt ea, quas fabricata sunt ab ipsis, esse dii ?

47. Reliquerunt autem falsa, et opprobrium postea futuris.

48. Nam cum supervenerit illis prcelium, et mala: cogitant sacerdotes apud se, ubi se abscondant cum illis.

49. Quomodo ergo sentiri debeant quoniam dii sunt, qui nee de bello se liberant, neque de malis se eripiunt?

50. Nam cum sint lignea, inaurata, et inargentata, scietur postea quia falsa sunt ab universis gentibus, et regibus: quas manifesta sunt quia non sunt dii, sed opera manuum hominum, et nullum Dei opus cum illis.

51. Unde ergo notum est, quia non sunt dii, sed opera manuum hominum, et nullum Dei opus in ipsis est?

52. Regem regioni non suscitant, neque pluviam hominibus dabunt.

53. Judicium quoque non discer-

44. Alles echter, wat voor hen geschiedt, is logen. Hoe kan men dan meenen of zeggen, dat zij goden zijn?

45. Door kunstenaars nu en door goudsmeden zijn zij gemaakt. Zij kunnen niets anders zijn dan datgene wat de priesters3*) willen.

46. Ook de kunstenaars zeiven, die ze maken, zijn niet van langen duur. Kunnen dan de dingen, welke door hen zijn vervaardigd, goden zijn33)?

47. Slechts leugen en schande laten zij voor de nakomelingen achter3*).

48. Want komen over hen krijg en onheilen, dan overleggen de priesters onder elkander, waar zij zich met hen kunnen verbergen.

49. Hoe kan men dan achten, dat zij goden zijn, zij, die zich niet eens voor oorlog vrijwaren noch zich aan onheilen onttrekken?

50. Want daar zij van hout zijn, verguld en verzilverd, zal het naderhand35) door alle volken en koningen erkend worden, dat zij logen zijn; ja, klaarblijkelijk is het36), dat zij geen goden zijn, maar het werk van 's menschen handen, en dat er niets van Gods werk aan hen is37).

51. Waaruit is het dan kenbaar, dat zij geen goden zijn, maar werken van 's menschen handen, en dat er niets van Gods werk aan hen is38)?

52. Zij stellen over de landstreek geenen koning aan en kunnen den menschen geen regen geven3*).

53. Ook eene rechtzaak kunnen

•*) Septuag. «de kunstenaars» of makers van beelden.

8S) Vgl. Is. XLIV 14—20; Jer. X 9.

**) Leugen en schande zijn hier de afgoden zeiven, welke de makers aan hunne kinderen achterlaten tot hun eigen schande. Vgl. Jer. X 14, 15.

M) Vgl. Zach. XIII 2.

*6) De Septuag. verbindt de woorden anders: «Voor alle volken en koningen zal het klaarblijkelijk worden» enz.

") d. i. Volstrekt niets wat door

Gods handen gemaakt is. Van sommige beelden gaf men voor, dat zij, uit den hemel gedaald, van de Godheid afkomstig waren.

S8) Het antwoord volgt in v. 52. De Codex Alexandrinus heeft: «Voor wien is het niet klaarblijkelijk, dat zij geen goden zijn?» Eene gevolgtrekking uit het voorafgaande.

*") Deze zijn inderdaad werken van God; zie Gen. XVII 6; Lev. XXVI 3; I Reg. II 10 enz.

Sluiten