Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22. Et facta est super me manus Domini, et dixit ad me: Sur gens egredere in campum, et ibi loquar tecum.

23. Et surgens egressus sum in campum: et ecce ibi gloria Domini stabat quasi gloria, quam vidi juxta fluvium Chobar: et cecidi in faciem meam. Supr. I 3.

24. Et ingressus est in me spiritus, et statuit me super pedes meos: et locutus est mihi, et dixit ad me: Ingredere, et includere in medio domus tuas.

25. Et tu fili hominis, ecce data sunt super te vincula, et ligabunt te in eis: et non egredieris de medio eorum.

26. Et linguam tuam adhaerere faciam palato tuo, et eris mutus, nee quasi vir objurgans: quia domus exasperans est.

27. Cum autem locutus fuero tibi, aperiam os tuum, et dices ad eos: Haec dicit Dominus Deus: Qui audit, audiat: et qui quiescit, quiescat: quia domus exasperans est.

") Hier begint de eerste reeks profetieën, die het gericht over Jerusalem in zinnebeelden en woorden voorstellen. De hier nog volgende verzen zijn als de inleiding. Hebr.: «En de hand.... kwam op mij aldaar*, d. i. te Tel Abib; zie noot 14 en vgl. I noot 4.

") Naar de vlakte, Hebr.: «naar het dal», dat bij Tel Abib (den sxeaheuvel) gelegen was; zie XXXVII 1.

**) Dezelfde openbaring van Gods heerlijkheid als I 4 volg. viel den profeet te beurt, om hem te sterken en te troosten in de harde lijdensdagen, die voor hem (zie IV ea V) aanstaande waren.

") Zie II 2. — God wil, dat de profeet zich afzondere van zijn volk en zich in zijne woning te Tel Abib opsluite.

u) Hebr.: «zie, zij zullen a banden aanleggen en u daarmede binden, en gij zult niet uitgaan in hun midden», d. i. in het midden uwer volksgenooten.

22. En de hand des Heeren kwam op mij21); en Hij zeide tot mij: Maak u op en ga buiten naar de vlakte, en aldaar zal Ik tot u spreken22).

23. En mij opmakende ging ik buiten naar de vlakte; en zie, daar stond de heerlijkheid des Heeren als de heerlijkheid, die Dx bij den stroom Chobar gezien had; en ik viel op mijn aangezicht28).

24. En de geest kwam in mij en stelde mij op mijne voeten; en Hij sprak met mij en zeide tot mij: Ga binnen en sluit u op in bet bin nenste van uw huis24)

25. En gij, menschenzoon, zie, banden zijn op u gelegd, en zij zullen u daarmede binden; en gij zult uit hun midden niet weggaan25).

26. En Dx zal uwe tong doen vastkleven aan uw verhemelte, en gij zult sprakeloos zijn, en niet als een strafprediker; want het is een weerspannig huis26).

27. Maar wanneer Dx tot u spreek, zal Dx uwen mond openen, en gij zult tot hen zeggen: Dit zegt de Heere God. Wie boort, hoore; en wie het nalaat, late het na; want het is een weerspannig huis27).

Zij derhalve zullen den profeet binden. Volgens velen is dit binden in eigenlijken zin te verstaan van stoffelijke banden, opdat hij, die tot «een teeken voor Israël» gesteld was (IV 3), hiermede het door beleg omsingelde Jerusalem zou voorstellen. Anderen echter nemen dat in overdrachtelijken zin: de Israëlieten zouden door hunne weerspannigheid den profeet binden, d. i. zijne werkzaamheid verhinderen; om dit op zinnelijke wijze voor te stellen, moest de profeet zich gedragen, als ware hij werkelijk gebonden, en zich daarom in zijn huis opsluiten.

M) Vgl. Job XXIX 10; Ps. XXI 16. — God verbiedt den profeet te spreken, zoodat hij tot aan den door God bepaalden tijd niet als een strafprediker mag optreden. Want daar woorden voor dit weerspannige volk niet baten, moet hij door daden prediken.

") God zal hem zeggen wat en wan-

Sluiten