Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Ego autem dedi tibi annos iniquitatis eorum, numero dierum trecentos et nonaginta dies: et portabis iniquitatem domus Israël.

6. Et cum compleveris hasc, dormies super latus tuum dexterum secundo: et assumes iniquitatem domus Juda quadraginta diebus: diem pro anno, diem, inquam, pro anno dedi tibi. Num. XIV 34.

7. Et ad obsidionem Jerusalem convertes faciem tuam, et brachium tuum erit extentum: et prophetabis adversus eam.

5. Ik toch heb u de jaren hunner ongerechtigheid toegerekend in het aantal dagen, driehonderd en negentig dagen; en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen6).

6. En wanneer gij die voleindigd hebt, zult gij andermaal gaan liggen, op uwe rechterzijde; en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen, veertig dagen; een dag voor een jaar, ja een dag voor een jaar heb Ik u gesteld.

7. Én op de belegering van Jerusalem zult gij uw aangezicht richten, en uw arm zal uitgestrekt zijn; en gij zult tegen baar profeteeren7).

Israël, d. i. het Tienstammenrijk, voor, dat links, d. i. noordelijk, lag (want de Hebreërs keerden zich bij het bepalen der richting naar het oosten; zie XVI 46) en in waardigheid beneden het door de rechter- of zuidzijde (v. 6) aangeduide Juda stond. Op die linkerzijde moet de profeet de ongerechtigheden, d. i. de straffen der ongerechtigheden, leggen, welke het huis van Israël verdiend heeft. M. a. w. zijn pijnlijk en gedwongen liggen op die ééne zijde gedurende den m v. 5 bepaalden tijd is de zinnebeeldige voorstelling van het lijden, dat Israël zoovele jaren dragen moet als de profeet dagen lang moet liggen.

6) De zin is: Zoovele jaren de straf voor het Tienstammenrijk zou duren, zoovele dagen moet de profeet op de linkerzijde liggen. Het blijft ech- 1 der een raadsel, hoe de driehonderd en negentig jaren van straf in de geschiedenis van het Tienstammenrijk passen. Niet weinigen tellen bij de drie honderd en negentig van v. 5 de veertig van v. 6, te zamen vierhonderd en dertig. Want zoovele jaren had de Egyptische ballingschap geduurd (Exod. XII 40) en met eene dergelijke ballingschap zou naar Deut. XXVIII 68 (vgl. Osee VIII 13; IX 6) het afvallige volk gestraft worden. Hiervan zouden er (v. 5) driehonderd en negentig aan Israël en (v. 6) veertig aan Juda ten deel vallen. Maar de ballingschap van Israël was begonnen in 721 v. Chr. of, gerekend van de wegvoering onder Teglathphalasar, in 734 v.

I Chr.; de ballingschap van Juda kon men rekenen van de verwoesting van Jerusalem af, in 587 v. Chr. Dit bedraagt dus voor Israël afzonderlijk hoogstens honderd zeven en veertig en niet driehonderd en negentig jaren. Bovendien zou de profeet naar v. 5 driehonderd en negentig dagen op zijne linkerzijde, naar v. 6 nog veertig dagen op zijne rechterzijde, dat is te zamen vierhonderd en dertig dagen, hebben moeten liggen. Doch de tijdsbepaling van I 2 en VIII 1 (zie de noot aldaar) laat geene tusschenruimte van zoovele dagen, nog afgezien van de zeven dagen in III 16. Men veronderstelt derhalve, dat het getal driehonderd en negentig (v. 5) later in den tekst is opgenomen, omdat men meende, dat de jaren der schuld, niet der straf bedoeld zijn. En werkelijk bekomt men dit getal, als men de in de Boeken der Koningen aangegeven jaren van Roboam en zijne opvolgers tot aan het negende jaar van Sedecias (vgl. Jer. Lil 4) bij een telt. — De Septuag. heeft in plaats van driehonderd en negentig het getal honderd en negentig. Volgens deze reeds door Origines en den H. Hiëronymus aangewezen lezing is de voorspelling zóó te verstaan, dat de ballingschap van Juda, van de verwoesting van Jerusalem af gerekend, in ronde som veertig jaren (v. 6), de ballingschap van Israël, welke omstreeks honderd en vijftig jaren vroeger was begonnen, honderd en negentig jaren zal duren. ') d. i. Op het afbeeldsel der stad,

Sluiten