Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stris. Urbes deserta? erunt, et excelsa demolientur, et dissipabuntur: et interibunt ara? vestra?, et confringentur: et cessabunt idola vestra, et conterentur delubra vestra, et delebuntur opera vestra.

7. Et cadet interfectus in medio vestri: et scietis quia ego sum Dominus. •

8. Et relinquam in vobis eos, qui fugerunt gladium in gentibus, cum dispersero vos in terris.

9. Et recordabuntur mei liberati vestri in gentibus, ad quas captivi ducti sunt: quia contrivi cor eorum fornicans, et recedens a me, et oculos eorum fornicantes post idola sua: et displicebunt sibimet super malis qua? fecerunt in universis abominationibus suis.

10. Et scient quia ego Dominus non frustra locutus sum ut facerem eis malum hoe.

11. Ha?c dicit Dominus Deus: Percute manum tuam, et allide pedem tuum, et die: Heu, ad omnes abominationes malorum domus Israël: quia gladio, fame, et peste ruituri sunt.

12. Qui longe est, peste morietur: qui autem prope, gladio corruet: et qui relictus fuerit, et obsessus,

*) Een verzamelwoord.

Ó Van hen, die in de verstrooiing der ballingschap aan het zwaard der heidenen zijn ontkomen, zullen eenigen door de tuchtiging tot inkeer komen (v. 9). Hiermede begint het woord van troost, dat de profeet in v. 8—10 tot die ontkomenen richt.

«L i. Die afgodische oogslagen wierpen op de soms wulpsche beelden: vgl. XX 7; Num. XV 39.

9) Niet vergeet», want dat onheil is dan metterdaad op hen gekomen en

den zullen verlaten zijn, en de hoogten zullen verdelgd en weggevaagd worden; en uwe altaren zullen te niet gaan en verbrijzeld worden; en uwe afgoden zullen verdwijnen, en uwe afgodstempels zullen afgebroken en uwe werken vernietigd worden.

7. En de verslagene6) zal vallen in uw midden; en gij zult weten, dat Ik de Heer ben

8. En Ik zal er van ulieden overig laten, degenen, die onder de volken aan het zwaard zijn ontkomen, wanneer Ik u zal verstrooid hebben in de landen7).

9. En uwe ontkomenen zullen Mij gedenken onder de volken, naar welke zij gevankelijk zijn heengevoerd; want gebroken heb Ik hun hoereerend en van Mij afvallig hart en hunne oogen, die hunne goden nahoereerden8); en zij zullen zichzelven tot een walg zijn om de boosheden, die zij Bedreven hebben door al hunne gruwelen.

10. En zij zullen weten, dat Dx, de Heer, niet vergeefs heb gesproken, dit onheil aan hen te zullen doen9).

11. Dit zegt de Heere God10): Sla in uwe hand en stamp met uwen voet11) en zeg: Ach! om al de booze gruweldaden van het huis van Israël; want door het zwaard, door den honger en door de pest zullen zij neerstorten.

12. Wie verre is, zal door de pest sterven12); doch wie nabij is, zal door het zwaard neerstorten; en wie overgebleven en omsingeld is18),

strekt hun tot bekeering en redding.

I0) De godspraak keert terug tot hunne schuld en straf (v. 11—14).

") Van verontwaardiging en afkeer. Vgl. XXV 6.

") Wie verre is van de belegerde stad, want de pest zal door het geheele land heerschen.

") Binnen de belegerde stad. In plaats van omsingeld heeft de Massoretische tekst: «gespaard», te weten door de pest en door het zwaard. Zie verder V 13.

Sluiten