Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT IX.

HOOFDSTUK IX.

Set gericht over de schuldige bewoners der stad (v. 1—7). Hunne boosheid vordert zulk een streng gericht (v. 8—10). Gods bevel is volbracht (v. 11).

1. Et clamavit in auribus meis voce magna, dicens: Appropinquaverunt visitationes urbis, et unusquisque vas interfectionis habet in manu sua.

2. Et eece sex viri veniebant de via portas superioris, quas respicit ad aquilonem: et uniuscuj usque vas interitus in manu ejus: vir quoque unus in medio eorum vestitus erat lineis, et atramentarium scriptoris ad renes ejus: et ingressi sunt, et steterunt juxta altare asreum:

3. Et gloria Domini Israël assumpta est de cherub, quas erat super eum ad limen domus: et vocavit virum, qui indutus erat lineis, et atramentarium scriptoris habebat in lumbis suis.

4. Et dixit Dominus ad eum: Transi per mediam civitatem in medio Jerusalem : et signa thau super frontes

1. En Hij riep in mijne ooren met luider stem, zeggende: Nabij zijn de bezoekingen der stad, en een ieder heeft het moordtuig in zijne hand»):

2. En zie, zes mannen kwamen van den weg der hoogere poort, die naar het noorden ligt, en een ieder had het verdelgingstuig in zijne hand; ook was er één man in hun midden, gekleed in linnen, en eens schrijvers inktkoker droeg hij aan zijne lendenen; en zij traden toe en gingen staan naast het koperen altaar2).

3. En de heerlijkheid des Heeren van Israël verhief zich van den cherub, boven wien zij was, naar den drempel des huizes; en Hij riep den man, die gekleed was in linnen en eens schrijvers inktkoker had aan zijne lendenen3).

4. En de Heer zeide tot hem: Ga door het midden der stad heen, door het midden van Jerusalem, en

') Nabij zijn, het Hebr. kan men ook vertalen: «Treedt nader, gij» 6esoekingen, d. i. straffen, of, volgens anderen naar het Hebr.: «wachters der stad», d. i. Gods engelen. Dezen worden nu ter wrake opgeroepen, want de profeet ziet hen met het moordtuig in de hand optreden.

') Zes mannen, d. i. engelen in menschelijke gedaante, de uitvoerders van Gods wraakbevel. Zij kwamen van den kant der hoogere poort, de poort van VIII 3, 5, waardoor men uit het buitenste voorhof in het hooger gelegen binnenste voorhof kwam. Het was de poort, welke naar het noorden ligt, vanwaar de vijand naar Jer. I 14 zou komen. De zevende engel (zie hetzelfde zevental engelen Zach. IV 10; Apoc. VIII 2; XV 6), die als de voornaamste, de vredebode, in hun midden was, droeg een linnen kleed, het ambtsgewaad der priesters; zie XLIV 17 en

vgl. Lev. XVI 4. Aan den gordel zijner lendenen droeg hij zijn schrijfgereedschap, gelijk nog heden in het Oosten pleegt te geschieden en blijkens de monumenten van Ninive ook oudtijds gebruikelijk was. De zeven engelen plaatsten zich naast het koperen brandoffer altaar; want van de plaats, die ter verzoening was ingesteld, zou, om de onteering van den heiligen eeredienst, de wraak uitgaan.

°) De heerlijkheid des Heeren verhief zich van den cherub, een verzamelwoord, d. i. van de cherubijnen; m. a. w. zij verliet den troonwagen van I 4 volg. om op den drempel des huizes, dat Hij weldra zou verlaten, zijne wraakbevelen te geven, na eerst zijne getrouwe dienaren te hebben afgezonderd. De levende wezens van I 5 volg. worden hier voor het eerst met hun eigenlijken naam genoemd; zie X 2, 20.

VI

39

Sluiten