Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54. Ut portes ignominiam tuam, et confundaris in omnibus, quae fecisti consolans eas.

55. Et soror tua Sodoma, et filias ejus revertentur ad antiquitatem suam: et Samaria, et filise ejus revertentur ad antiquitatem suam: et tu, et filise tuas revertemini ad antiquitatem vestram.

56. Non fuit autem Sodoma soror tua audita in ore tuo, in die superbis? tuae,

57. Antequam revelaretur malitia tua: sicut hoe tempore in opprobrium filiarum Syriae, et cunctarum in circuitu tuo füiarum Palaestinarum, quae ambiunt te per gyrum.

58. Scelus tuum, et ignominiam tuam tu portasti, ait Dominus Deus.

59. Quia haec dicit Dominus Deus: Et faciam tibi sicut despexisti juramentum, ut irritum faceres pactum:

60. Et recordabor ego pacti mei tecum in diebus adolescentiae tuae: et suscitabo tibi pactum sempiternum.

Samaria met hare dochters»; (verder naar de Septuag.:) «en Ik zal uwe gevangenschap terugvoeren in het midden van haar.» Jerusalem zal hersteld worden uit de ballingschap, doch zich daarbij tot verootmoediging en beschaming (v. 54) in het midden van Sodoma en Samaria bevinden. Vgl. Is. XIX 23-25 en Jer. III 24, 25. Er is hier sprake van de geestelijke herstelling (zie XI19, 20), welke zich door de verlossing van den Messias tot alle volken zal uitstrekken, ook tot de onwaardigste; als zoodanige gelden hier Samaria en vooral Sodoma. Aan de stoffelijke en tijdelijke herstelling van Sodoma en de overige steden van Pentapolis kan niet gedacht worden, daar de landstreek voor immer verwoest is (zie Is. XIII 19 en Jer. XLIX 18) en de bewoners allen verdelgd waren (Gen. XIX 25).

") Want uwe begenadiging geeft hoop aan de minder schuldigen.

**) Tot dien staat, waarin zij vóór

54. opdat gij uwe schande draagt en beschaamd wordt over alles, wat gij gedaan hebt, haar troostend52).

55. En uwe zuster Sodoma en hare dochters zullen terugkeeren tot haren alouden staat; en Samaria en hare dochters zullen terugkeeren tot haren alouden staat; ook gij en uwe dochters zult terugkeeren tot uwen alouden staat53).

56. Niet eens werd Sodoma, uwe zuster, uit uwen mond gehoord ten dage van uwen trots,

57. eer uwe boosheid werd blootgelegd, zooals te dezen tijde tot versmading voor de dochters van Syrië en voor allen, die rondom u zijn, voor de dochters der Philistijnen, die u omgeven in het rond54).

58. Uwe misdaad en uwe schande55) hebt gij gedragen, zegt de Heere God.

59. Want dit zegt de Heere God: En Ik zal aan u zoo doen, gelijk gij den eed versmaad hebt om het verbond te verbreken56).

60. En Ik zal gedachtig zijn aan mijn verbond met u in de dagen uwer jeugd, en Ik zal voor u een eeuwig verbond oprichten57).

hunnen afval waren. Dit zal geschieden in geestelijken zin; zie noot 51.

•*) Jerusalem, in v. 53—55 gelijkgesteld met Sodoma, wilde voorheen niet eens den naam van Sodoma uitspreken. Aldus geschiedde, toen Jerusalem nog was in haren trots, d. i. in de dagen van hare grootheid. Doch thans, nu hare boosheid door hare diepe vernedering is blootgelegd, is zij op hare beurt tot versmading geworden voor Syrië en Philistea, om de nederlagen, die deze rijken haar hadden toegebracht; vgl. IV Reg. XV 37; XVI 6; XXIV 2; II Par. XXVIII 18 volg.

**) De straf van (Hebr.) «uwe ontucht en uwe gruweldaden».

**) God zal het afvallige Jerusalem straffen voor het verbreken van het eerste verbond, dat onder eede was bezworen; vgl. Deut. XXIX 12 volg.

") Met het door de tuchtiging gelouterde volk zal God een nieuw en eeuwig verbond sluiten (zie Jer. XXXI

Sluiten