Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omnis multitudo tua, qua) erat in medio tui, ceciderunt.

35. Universi habitatores insularum obstupuerunt super te: et reges earum omnes tempestate perculsi mutaverunt vultus.

36. Negotiatores populorum sibilaverunt super te: ad nihilum deducta es, et non eris usque in perpetuum.

zijn uwe schatten en geheel uwe volksmenigte, die in uw midden was, neergestort.

35. Al de bewoners der eilanden zijn verstomd over u; en al hunne koningen, ontzet over den storm, veranderen van gelaat.

36. De handelaren der volken sissen over u: tot niets zijt gij gewor-

i den, en gij zult niet meer zijn in I eeuwigheid!

CAPUT XXVHI.

HOOFDSTUK XXVIII.

Hoovaardij en vernedering van den koning van Tyrus (v. 1-10). maaglied over zijnen val (v. 11—19). Godspraak over Sidon (v. 20—26).

1. Et factus est sermo Domini ad me, dicens:

2. Fili hominis, die principi Tyri: Haec dicit Dominus Deus: Eo quod elevatum est cor tuum, et dixisti: Deus ego sum, et in cathedra Dei sedi in corde maris: cum sis homo, et non Deus, et dedisti cor tuum quasi cor Dei.

3. Ecce sapientior es tu Daniele: omne sectfétum non est absconditum a te.

4. In sapientia et prudentia tua fecisti tibi fortitudinem: et acquisisti aurum, et argentum in thesauris tuis.

5. Da multitudine sapientia) tuae, et in negotiatione tua multiplicasti

») De hier begonnen volzin wordt, na de verklarende tusschenrede in v. 3—5 in v. 6 weder opgenomen en eerst daarna in v. 7—8 voltooid. De toenmalige vorst of «koning» (v. 11) was volgens Flavius Jos. (c. Ap. 1 zi) Ithobal II. De koningen van Tyrus waanden zich van goddelijke afkomst en eene godheid te zijn; het eüand Tyrus, in het hart der zee gelegen (zie XXVII 4), was hun godsgestoelte. Uw hart gemaakt hebt enz., d.i. u inbeeldt eene godheid te zijn.

1. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende:

2. Menschenzoon, zeg tot den vorst van Tyrus: Dit zegt de Heere God: Omdat uw hart zich verheven heeft en gij gezegd hebt: lk ben een God, en ik zetel op een godsgestoelte in het hart der zee; daar gij een mensch zijt, en geen God, en gij uw hart gemaakt hebt als het hart van een God1). —

3. Zie, gij zijt wijzer dan Daniël, geen geheim is voor u verborgen*).

4 Door uwe wijsheid en schranderheid hebt gij u macht verkregen; en gij hebt goud en zilver aangeworven in uwe schatkamers3). 5. Door uwe veelzijdige wijsheid en door uwen koophandel hebt gij

') Gij zijt, in uwe schatting, wijeer dan Daniël, die slechts de geheimen kende, welke God hem openbaarde (zie Dan. IV 6); voor « echter is, naar uwen ijdelen waan, geen geheim, welk ook, verborgen. — De vergelijking is van den profeet, niet van den koning, aan wien Daniël waarschijnlijk onbekend was. — Zie XIV 14.

*) Tyrus was machtig en rijs geworden door zijnen wereldhandel, de vrucht zijner wijsheid en schranderheid.

Sluiten