Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Inter cetera regna erit humillima, et non elevabitur ultra super nationes, et imminuam eos ne imperent gentibus.

16. Neque erunt ultra domui Israël in conf identia, docentes iniquitatem, ut fugiant, et sequantur eos: et scient quia ego Dominus Deus.

17. Et factum est in vigesimo et septimo anno, in primo, in una mensis: factum est verbum Domini ad me, dicens:

18. Fili hominis Nabuchodonosor rex Babylonis servire fecit exercitum suum servitute magna adversus Tyrum: omne caput decalvatum, et omnis humerus depilatus est: et merces non est reddita ei, neque exercitui ejus de Tyro pro servitute, qua servivit mihi adversus eam.

15. Onder de overige koninkrijken zal het zeer gering zijn, en het zal zich niet meer verheffen boven de volken, en Ik zal hen klein maken, opdat zij niet gebieden over de volken10).

16. Ook zullen zij voor het huis van Israël geen toeverlaat meer zijn, ongerechtigheid leerend om te vluchten en hen te volgen11); en zij zullen weten, dat Ik de Heere God ben.

17. En het gebeurde in het zoven en twintigste jaar, in de eerste (maand), op den eersten der maand: het woord des Heeren geschiedde tot mij18), zeggende:

18. Menschenzoon, Nabuchodonosor, de koning van Babyion, heeft zijn leger zwaar dienstwerk doen verrichten tegen Tyrus; elk hoofd is kaal geworden, en elke schouder S^ofitveld; en geen loon is hem noch zijn leger uit Tyrus geworden voor het dienstwerk, dat hij voor Mij verricht heeft tegen haar18).

10) Ruim 60 jaren na deze profetie (in 525) kwam Egypte onder de Perzische opperheerschappij, die ruim eene eeuw geduurd heeft; daarop volgde de zwakke regeering van inneem sche dynastieën, die vooral in Boven-Egypte hunnen zetel hadden (415—350). Na nogmaals door de Perzen te zijn overwonnen, kwam Egypte onder den schepter van Alexander den Groote en na hem werd de Grieksche overheersching door de Ptolomeën bestendigd tot aan de komst der Romeinen.

") Ongerechtigheid leerend, d. i. Juda door zijne macht verlokkend tot een verbond in strijd met Gods wil. Naar het Hebr. zal Egypte «niet meer voor het huis van Israël een toeverlaat zqn, ongerechtigheid in herinnering brengend, omdat zij het met hen hief den». De ongerechtigheid van Israël bestond in zijn vertrouwen op den steun van Egypte, met verzaking van Jehova. Die steun zal met de vernedering van Egypte te niet gaan, en bijgevolg zal dit rijk niet meer als aanklager van het afvallige Israël bij God kunnen optreden.

") Het teven en twintigste jaar na de wegvoering van Joachin (I 2) is het jaar 571. Het was het zestiende jaar na den val Van Jerusalem en ruim één jaar, nadat Nabuchodonosor de dertienjarige belegering van Tyrus had beëindigd, drie jaren, voordat hij optrok naar Egypte. Want deze laatste krijgstocht, waarvan in de hier volgende profetie gesproken wordt, had volgens de annalen van dien Chaldeeuwschen koning plaats in zijn 37e jaar, in 568 v. Chr. (zie Jer. XLIII noot 15).

") Zwaar dienstwerk, b.v. bij het aanleggen van den dam tusschen het vasteland en Tyrus (vólgens den H. Hiëronymus, zie XXVI noot 11), bij het oprichten der belegeringswerktuigen, schansen enz., zoodat, hyperbolisch uitgedrukt, elk hoofd kaal en elke schouder ontveld was geworden door het drukken der draagkorven (met hout, aarde, steenen enz.) op hoofd en schouder. Oeen loon, zie XXVI noot 14. Voor Mij, want Nabuchodonosor was, ofschoon onbewust, de uitvoerder van Gods wil.

Sluiten