Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19. Et mensus est latitudinem a faeie portas inferioris usque ad frontrem atrii interioris extrinsecus, oentum cubitos ad orientem, et ad aquilonem.

20. Portam quoque, quas respiebat viam aquilonis atrii exterioris, mensus est tam in longitudine, quam in latitudine.

21. Et thalamos ejus tres hinc, et tres inde: et frontem ejus, et vestibulum ejus secundum mensuram portas prioris, quinquaginta cubitorum longitudinem ejus, et latitudinem viginti quinque cubitorum.

22. Fenestras autem ejus, et vestibulum, et sculpturas secundum mensuram portas, quas respiciebat ad orientem: et septem graduum erat ascensus ejus, et vestibulum ante eam.

23. Et porta atrii interioris contra portam aquilonis, et orientalem: et mensus est a porta usque ad portam centum subitos.

24. Et eduxit me ad viam australem, et ecce porta, quas respiciebat ad austrum: et mensus est frontem ejus, et vestibulum ejus juxta mensuras superiores.

25. Et fenestras ejus, et vestibule in circuitu, sicut fenestras ceteras: quinquaginta cubitorum longitu-

I Par. XXVIII 11. Daar er sprake is van het benedenste plaveisel (vgl. II Par. VII 3), zal ook in het hooger gelegen binnenste voorhof een dergelijk plaveisel geweest zijn, hoewel het niet uitdrukkelijk vermeld wordt.

") De breedte van het buitenste voorhof van poort tot poort (zie v. 23), te weten van vóór de benedenste poort, waar men in het buitenste voorhof binnenkwam, tot vóór aan de buitenzijde der poort, die toegang gaf tot het binnenste voorhof; zie Fig. 5 a—O* voor den oostkant en b—NJ voor den noordkant; dezelfde breedte van honderd el was bijgevolg van poort tot poort aan den zuidkant, c—Z'.

•*) De afmetingen van de buitenste

19. En hij mat de breedte van vóór de benedenste poort tot vóór aan de buitenzijde van het binnenste voorhof, honderd el, aan den oostkant en aan den noordkant**).

20. Ook de poort van het buitenste voorhof, welke noordwaarts zag, mat hij zoo in de lengte als in de breedte**),

21. en hare kamers, drie aan deze en drie aan gene zijde, en haren tusschenmuur en haar portaal naar de maat der eerste poort, vijftig el hare lengte, en de breedte vijf en twintig el.

22. En hare vensters en haar portaal en haar snijwerk*6) waren naar de maat der poort, welke oostwaarts zag; en zeven treden had haar opgang, en het portaal was aan hare voorzijde*7).

23. En het binnenste voorhof had eene poort tegenover de noord- en de oostpoort; en hij mat van poort tot poort, honderd el28).

24. En hij bracht mij naar de zuidzijde; en zie, daar was eene poort, welke zuidwaarts zag*9); en hij mat haren tusschenmuur30) en haar portaal naar de vorige maten,

25. en hare vensters en de portalen in het rond, gelijk de vorige vensters81); vijftig el de lengte,

I noordpoort Fig. 5 N. Zij kwam in alles volkomen overeen met de buitenste oostpoort. Hare drie voornaamste deelen, de kamers, de tusschenmuren (het enkelvoud staat in v. 21, 24, 29, 33 en 36 voor het meervoud; zie noot 14) en het portaal, worden in het volgende vers genoemd. ") Hebr.: «hare palmen»; zie v. 16. ") Septuag.: «binnenwaarts», zie noot 12.

") Zie noot 24. ") De buitenste zuidpoort Z. so) De Septuag. heeft: «en hij mat haar en hare kamers en hare tusschenmuren» enz. Zie noot 25.

SI) Hebr.: «en hare vensters, ook in de portalen (zie noot 21) in het

Sluiten