Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Et ait rex Asphenez praeposito eunuchorum ut introduceret de filiis Israël, et de semine regio et tyrannorum,

4. Pueros, in quibus nulla esset macula, decoros forma, et eruditos omni sapientia, cautos scientia, et doctos disciplina, et qui possent stare in palatio regis, ut doceret eos litteras, et linguam Chaldaeorum.

voering der tempelvaten geschiedde ouder Joachin (IV Reg. XXIV 13) en nog eene derde onder Sedecias (IV Reg. XXV 13 volg.; vgl. Jer. XXVII19—22). Sennaar is de oude benaming van Babylonië; zie Gen. X 10. — Aan zijnen god wijdde Nabuchodonosor de tempelvaten als een zegeteeken, omdat, naar de toen heerschende opvatting, zijn god over Jehova had gezegevierd. De opschriften getuigen, dat deze koning zijne goden ijverig vereerde en zijnen krijgsroem en zijne macht vooral aan Merodach of Marduk, den beschermgod van Ëabylon (zie Is. XLVI noot 1), toeschreef.

*) Eigenlijk «den overste der ontmanden», waarschijnlijk den «rabsares» van Jer. XXXIX 3, het hoofd der dienaren van den koninklijken harem. Doch reeds oudtijds (zie Gen. XXXVII noot 17) werden onder de benaming «ontmanden» in het algemeen sommige hovelingen en staatsdienaren aangeduid. — Zie Is. XXXIX 7, welke profetie hier in vervulling ging.

_*), Door de zonen van Israël zijn niet die van het reeds lang vernietigde Tienstammenrijk, doch die van de overige stammen, van Juda, Benjamin en Simeon, aangeduid. Naar v. 6 waren er vier bepaaldelijk van Juda. Voor tyrannorum heeft het Hebr. «partemim», waarschijnlijk verwant met het Perzisch woord der opschriften «fratema», dat aanzienlijke of adellijke personen schijnt aan te duiden. Daniël, een van hen (v. 6), was derhalve, zoo niet van het koninklijk geslacht, althans van aanzienlijke afkomst.

*) Hun leeftijd wordt niet bepaald. Bij de Perzen, die de Assyrisch-Babylonische zeden in vele opzichten volgden, begon de opleiding der toekom-

3. En de koning zeide tot Asphenez, den overste der kamerdienaren3), dat hij van de zonen van Israël en van het koninklijk geslacht en van dat der rijksgrooten4)

4. jongelingen zou aanbrengen5), die zonder eenig gebrek waren, schoon van gestalte en onderricht in alle wijsheid, ervaren in wetenschap en onderwezen in kennis6), en die konden staan in het paleis des konings7), om hen te onderrichten in de letteren en de taal der Chaldeën8).

stige hovelingen of staatsdienaren op veertienjarigen leeftijd (Plato Alc. I 37) en duurde zij drie jaren (Cyrop. I 2; zie v. 5). Naar een opschrift van Sennacherib was het bij de Assyriërs niet ongewoon om aanzienlijke jongelingen uit andere volken tot hovelingen op te leiden. In de bibliotheek van Assurbanipal zijn leerboeken of handleidingen gevonden tot het aanleeren van talen, welke wellicht voor dergelijke jongelingen bestemd waren.

6) Het Hebr. schijnt niet zoozeer het bezit dezer verstandelijke gaven als wel den aanleg hiertoe in deze jongelingen te vorderen,

') d. i. Die aan het hof des konings ambten konden bekleeden.

*) Door de Chaldeën, Hebr. >de Kasdim», zijn gewoonlijk de Babyloniërs aangeduid, hier echter eene bepaalde klasse van dezen. Hiertoe behoorden o. a. de priesters, de beoefenaars der wetenschap (inzonderheid der wichelarij en der sterrenkunst) en de staatsdienaren. De letteren of het schrift der Chaldeën beteekenen het zoogenaamde spijkerschrift, waarin het Babylonisch der opschriften is geschreven. Er is hier geen sprake van het in latere tijden zoogenaamde Chaldeeuwsch, eigenlijk het Arameesch, waarin een gedeelte van dit Boek (II 4ö—VII28) is geschreven. Deze laatste taal werd niet gesproken door de Babyloniërs, maar door de Arameesche stammen, die in het noorden tusschen den Chabor en den Euphraat en in het zuiden aan den Euphraat en den Tigris woonden; zij was bovendien de taal van het handelsverkeer met de volken van West-Azië; ook aan de aanzienlijke Judeërs was zij, naar IV Reg. XVlII 26, niet onbekend.

Sluiten