Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

medens atque comminuens, et reliqua pedibus suis coneulcans: dissimilis autem erat ceteris bestiis, quas videram ante eam, et habebat cornua decem.

8. Considerabam cornua, et ecce cornu aliud parvulum ortum est de medio eorum: et tria de cornibus primis evulsa sunt a facie ejus: et ecce oculi, quasi oculi hominis erant in cornu isto, et os loquens ingentia.

9. Aspiciebam donec throni positi sunt, et antiquus dierum sedit: vestimentum ejus candidum quasi nix, et capilli capitis ejus quasi lana munda: thronus ejus flammaeignis: rotae ejus ignis accensus.

10. Fluvius igneus, rapidusque egrediebatur a facie ejus: millia millium ministrabant ei, et decies millies centena millia assistebant ei:

ls) Het ongenoemde monsterdier moet hetzelfde rijk beteekenen, dat door de ijzeren beenen en voeten van het standbeeld in II 33 werd voorgesteld, bet rijk van ijzer, dat naar II 40 alles vermorzelt en vertreedt, gelijk dit ondier doet met zijne groote ijzeren tanden en «klauwen» (v. 19). Zie op v. 23, alwaar de engel het nader omschrijft. Het monsterdier had tien hoornen, die het alle te gelijk op zijn kop droeg.

") Zie voor de beteekenis van den kleinen hoorn op v. 24ö. Door de oogen en den mond wordt hij als een mensch voorgesteld. Want de begrippen rijk en koning worden in dit visioen met elkander verwisseld en wat in het rijk geschiedt, wordt in den koning verpersoonlijkt; vgl. II 37—39. De oogen van den hoorn als menschenoogen beteekenen de sluwheid van hem, die door den kleinen hoorn wordt aangeduid; zie verder op v. 25.

") In v. 9—14 beschrijft de profeet het plechtige gericht, waarin eensdeels de God weerstrevende wereldmacht veroordeeld en vernietigd wordt, anderdeels de macht en dé heerschappij wordt gegeven aan hem, wien ze toekomt. Het

ijzeren tanden, at en vermorzelde en vertrad het overige met zijne pooten; het was dan verschillend van de andere dieren, die ik vóór hetzelve gezien had, en het had tien hoornen10).

3. Ik beschouwde de hoornen, en zie, een andere kleine hoorn kwam op uit hun midden; en drie van de eerste hoornen werden uitgerukt voor zijn aangezicht; en zie, oogen als menschenoogen bad deze hoorn en eenen mond, die groote dingen sprak11).

9. Ik zag18), totdat er troonzetels geplaatst werden, en de oude van dagen zette zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw, en de haren van zijn hoofd waren als zuivere wol18); zijn troon waren vuurvlammen, deszelfs raderen een brandend vuur.

10. Een snelle vuurstroom ging uit van zijn aangezicht11); duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal honderdduizenden stonden vóór Hem15); het gericht

is niet het algemeen wereldgericht, dat geschilderd wordt, want de door de dieren beteekende rijken, niet de menschen, komen ten oordeel. Wat echter hier zinnebeeldig wordt voorgesteld, zal in het algemeene oordeel bekrachtigd worden. — Het driewerf ik zag (v. 9, li en 13) verdeelt dit tooneel in drie handelingen. De eerste (v. 9 en 10) is de voorbereiding tot het gericht.

") Troonzetels voor de rechters, God en zijne heiligen. De opperste rechter is de oude van dagen, d. 1. de voor alle dagen en tijden levende en eeuwige God. Zijn wit kleed is een zinnebeeld zijner vlekkelooze reinheid en heiligheid (vgl. Is. I 18; Apoc. I 14); zijne als zuivere wol grijze haren passen aan den eerbiedwaardigen grijsaard, wiens hooge leeftijd een waarborg is voor de gerechtigheid en de waarheid bij het oordeel.

") Vuur is het zinnebeeld van Gods gestrenge gerechtigheid, die de zondaars straft en de gerechten loutert; vgl. Deut. IV 24 en Ps. XCVI 2, 3.

") Aram;: «tienduizendmaal tienduizenden». Dit verbazend groote getal dienaren wijst op Gods grootheid en macht; vgl. Deut. XXXIII 2; Juda» v.

I

I

Sluiten