Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Horruit spiritus meus, ego Daniël territus sum in his, et visiones capitis mei conturbaverunt me.

16. Accessi ad unum de assistentibus, et veritatem quaerebam ab eo de omnibus his. Qui dixit mihi interpretationem sermonum, et docuit me:

17. Hae quatuor bestia) magnae: quatuor sunt regna, quae consurgent de terra.

18. Suscipient autem regnum sancti Dei altissimi: et obtinebunt regnum usque in saeoulum, et saeculum saeculorum.

19. Post hoe volui diligenter disoere de bestia quarta, quae erat dissimilis valde ab omnibus, etterribilis nimis: dentes et ungues ejus ferrei: comedebat, et comminuebat, et reliqua pedibus suis conculcabat:

15. Mijn geest huiverde; ik, Daniël, werd verschrikt bij deze dingen, en de gezichten van mijn hoofd ontstelden mij.

16. Ik naderde tot eenen van hen, die daar stonden, en vroeg hem den waren zin van dit alles. En hij gaf mij de verklaring der woorden en onderrichtte mij20):

17. Deze vier groote dieren zijn vier koninkrijken, die zullen opkomen uit de aarde21).

18. Maar de heiligen van den allerhoogsten God zullen de heerschappij bekomen, en zij zullen de heerschappij bezitten tot in eeuwigheid en in de eeuwigheid der eeuwigheden22).

19. Hierop wilde ik nauwkeurig onderricht worden aangaande het vierde dier, dat zeer verschillend was van alle en vreeselijk uitermate, welks tanden en klauwen van ijzer waren, hetwelk at en vermorzelde en het overige met zijne pooten vertrad;

den in de volheid der tijden menschgeworden God. Dit getuigt de Joodsche en de Christelijke overlevering met het Nieuwe Testament. De Zaligmaker pleegt zich op grond dezer voorspelling van Daniël den Zoon des menschen te noemen en terugziende op deze plaats spreekt Hij van zijne wederkomst ten gerichte (Matth. XXIV 30; XXVI 64). De profeet ziet den menschenzoon voor den troon van den eeuwigen God, zijnen hemelschen Vader, gebracht; én Deze gaf Hem de eeuwige macht en de onvergankelijke heerschappij over het Rijk, waarin Hem alle volken, stammen en talen zullen dienen. Deze macht ontving de Christus rechtens bij zijne Menschwording en metterdaad, als de belooning zijner gehoorzaamheid, bij zijne verheerlijking, toen Hem «alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde» (Matth. XXVHI 18). Gezeten aan de rechterhand des Vaders, oefent Hjj; deze macht en heerschappij uit over zijn Rijk en is Hem alles onderworpen, totdat God al de vijanden tot zijne voetschabel zal maken (Ps. CIX 1 en Hebr. X 12, 13; vgl. I Cor. XV 24—28 en Apoc. XIX 13—16). Inzonderheid zal deze macht geopenbaard

worden, wanneer Hij «met den adem zijner lippen den goddelooze zal dooden» (Is. XI 4 en II Thess. II 8) en ten slotte, na over den laatsten vijand, den Dood, door de opwekking der dooden te hebben gezegevierd, Komen zal op de wolken des hemels als de Rechter van levenden en dooden.

,0) In het droomgezicht, dat nog voortduurt, vroeg Daniël de verklaring der woorden of der dingen, die hij gezien had, aan eenen der engelen van v. 10.

") In tegenstelling met het Rijk Gods zullen de vier (Aram.) «koningen» of koninkrijken (zie v. 23) opkomen uit de aarde en dus aardsche rijken zijn. De toekomende tijd betreft drie van de vier rijken (het Chaldeeuwsche uitgezonderd), die nog toekomstig waren.

") De heiligen des Allerhoogsten zijn degenen, die, door den Messias geheiligd en als lëdematen met hun hoofd vereenigd, in de eeuwige macht en de onvergankelijke heerschappij van den verheerlijkten Menschenzoon (v. 13 volg.) zullen deelen. Vgl. Rom. VIII 29 en II Thess. I 10.

Sluiten