Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

non potes dicere quia iste non sit Deus vivens: adora ergo eum.

24. Dixitque Daniël: Dominum Deum meum adoro: quia ipse est Deus vivens: iste autem non est Deus vivens.

25. Tu autem rex da mihipotestatem, et interfioiam draconem absque gladio, et fuste. Et ait rex: Do tibi.

26. Tulit ergo Daniël picem, et adipem, et pilos, et coxit pariter: f ecitque massas, et dedit in os draconis, et dimptus est draco. Et dixit: Ecce quem colebatis.

27. Quod cum audissent Babylonii, indignati sunt vehementer: et congregati adversum regem, dixerunt: Judaeus factus est rex: Bel destruxit, draconem interfecit, et sacerdotes occidit.

28. Et dixerunt cum venissent ad regem: Trade nobis Danielem, alioqnin interficiemus te, et domum tuam.

29. Vidit ergo rex quod irruerent in eum vehementer: et necessitate compulsus tradidit eis Danielem.

30. Qui miserunt eum in lacum leonum: et erat ibi diebus sex.

31. Porro in lacu erant leones septem, et dabantur eis duo corpora quotidie, et duae oves: et tune non data sunt eis, ut devorarent Danielem. Supra VI16.

") Septuag. en Theodotion: «Zegt gij, dat ook deze van koper is? Zie, hij leeft en eet en drinkt. Gij kunt niet zeggen, dat deze» enz.

") Men meende (volgens Eusebius, Praepar. Evang. I 10), dat de slang niet kon sterven tenzij door geweld. Hierom wellicht spreekt Daniël aldus.

") Met honigkoeken werd de slang in het heiligdom van den Atheenschen burcht gevoed (Herod. VTII 41). Doch de koeken van Daniël waren eene on-

Zie, nu kunt gij niet zéggen, dat deze geen levende god is; aanbid hem dan14).

24. En Daniël zeide: Den Heer, mijnen God, aanbid ik; want Hij is de levende God; deze echter ia niet de levende God.

25. Gij nu, koning, geef mij macht, en ik zal den draak dooden zonder zwaard en stok15). En de koning zeide: Ik geef ze u.

26. Daniël nam dan pek en vet en haar en kookte dit te zamen; en hij maakte er koeken van en stak die in den muil van den draak, en de draak berstte16). En hij zeide: Ziedaar, dien gij vereerdet!

27. Toen nu de Babyloniërs dit vernamen, waren zij zeer vergramd; en samenscholende tegen den koning, zeiden zij: De koning is een Jood geworden! Bel heeft nij vernield, den draak omgebracht en de priesters gedood!

28. En toen zij bij den koning gekomen waren, zeiden zij: Lever on» Daniël uit; anders brengen wij u en uw huis ter dood17).

29. De koning zag dan, dat zij geweldig bij hem aandrongen; en door den nood gedwongen leverde hij hun Daniël uit.

30. En zij wierpen hem in den leeuwenkuil18); en hij was daar zes dagen.

31. Da den kuil nu bevonden zich zeven leeuwen; en men gaf hun dagelijks twee lichamen19) en twee schapen; en toen gaf men ze hun niet, opdat zij Daniël zouden verslinden.

verteerbare spijs, die aan keel en ingewanden bleef kleven en den draak deed bersten.

'") Hoezeer de Babyloniërs tot opstand tegen de vreemde overheerschers geneigd waren, leert hun herhaald verzet tegen het Assyrische en later tegen het Perzische gezag.

'•) Vgl. VI noot 7.

") Lichamen van ter dood veroordeelden.

Sluiten