Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT VI.

HOOFDSTUK VI.

Opwekking van Israël lot een nieuw leven (v. 1—3). Eene andere strafrede. Al de middelen ter bekeering waren vergeefseh, daarom komt het wraakgericht over Israël en over Juda (v. 4—11).

1. In tribulatione sua mane consurgent ad me: Venite, et revertamur ad Dominum:

2. Quia ipse cepit et sanabit nos: porcutiet, et curabit nos.

3. Vivïficabit nos post duos dies: in die tertia suscitabit nos, et vivemus in conspectu ejus. Sciemus, sequemurque ut cognoscamus Dominum: quasi diluculum praeparatus est egressus ejus, et veniet quasi imber nobis temporaneus, et serotinus terra?. / Cor. XV 4.

4. Quid faciam tibi Ephraim? quid faciam tibi Juda? misericordia vestra quasi nubes matutina, et quasi ros mane pertransiens.

5. Propter hoe dolavi in prophe-

') De eerste drie verzen behooren nog tot het vorige hoofdstuk.

s) De boetvaardige Israëlieten wekken elkander op tot bekeering en tot vertrouwen op God. Hij heeft ons gegrepen als de leeuw van V 14; zoo erkennen zij, dat de rampen straffen hunner zonden waren, en belijden zij hunne schuld. Van God alleen verwachten zij thans redding.

") Door de ballingschap werd Israël als volk vernietigd of gedood; daarom wordt de verlossing uit de ballingschap hier en elders (vgl. Ezech. XXXVII) beschreven als eene opwekking uit den dood, welke na twee, drie dagen, d. i. na-betrekkelijk korten tijd zal geschieden. Vele HH. Vaders zien in deze opwekking van Israël eene voorafbeelding van Christus'verrijzenis ten derden dage.

') Israël kwam ten val, omdat net de kennis van God versmaad had (VI 1, 6); na de ballingschap, vooral na de prediking van den Messias zal het ware Israël God kennen, of liever, daar dit niet in 's menschen macht ligt, trachten den Heer te kennen, d. i. medewer-

1. In hunnen nood1) zullen zij zich des morgens oprichten tot Mij: Komt èn laat ons terugkeeren tot den Heer;

2. want Hij heeft gegrepen, en Hij zal ons genezen; Hij sloeg, en Hij zal ons heelen2).

3. Hij zal ons levend maken na twee dagen, ten derden dage zal Hij ons opwekken, en wij zullen leven voor zijn aangezicht8). Wij zullen kennen en wij zullen trachten den Heer te kennen4). Als de dageraad is zijn opgang vastgesteld, en komen zal Hij als de vroege regen over ons en de late regen over het land5)!

4. Wat zal Ik u doen, Ephraïm*)? wat zal Ik u doen, Juda ? uwe barmr hartigheid7) is als de morgenwolk en als de dauw, die des -mórgens verdwijnt.

5. Daarom8) heb Ik hen behouwen

ken met Gods genade om God te kennen en te dienen.

6) Het licht van Gods openbaring (Zijn opgang) is voor den mensen van O goeden wil vastgesteld als net terug-» "keeren vaïT een regelmatig natuurver-"-" schijnsel. Zijne komst is gelijk aan den dageraad, d. i. vervult het hart met vreugde en is de voorbode van altijd overvloediger licht; zijne genade is weldadig en vruchtbaar, als in Palestina de vroege régen, die in November het zaad doet ontkiemen, en de late regen., die in April de graankorrel doet zwellen.

") Met dit vers begint eene nieuwe strafrede tegen de hardnekkige inwoners van Ephraïm of Israël en Juda. Wat zal Ik u doen, om u tot inkeer te brengen ?

') Hebr.: «uwe liefde», d. i. uwe goede gezindheid jegens God en de menschen is van korten duur, als de morgenwolk enz.

s) Omdat de deugd, indien zij al in Israël werd gevonden, voorbijgaand was.

Sluiten