Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lacte: et per omnes rivos Juda ibunt aqum: et fons de domo Domini egredietur, et irrigabit torrentem spinarum. Amos IX 13.

19. iEgyptus in desolationem erit, et Idumaea in desertum perditionis: pro eo quod inique egerint in filios Juda, et effuderint sanguinem innocentem in terra sua..

20. Et Judaea in seternum habitabitur, et Jerusalem in generationem et generationem.

21. Et mundabo sanguinem eorum, quem non mundaveram: et Dominus commorabitur in Sion.

tigheid23), en de heuvelen zullen vloeien van melk2*); en door alle beken van Juda zal water stroomen25); en eene bron zal van het huis des Heeren uitgaan en de beek der doornen drenken26).

19. Egypte zal tot eene verwoesting zijn, en Idumea tot eene woestenij des verderfs: om reden dat zij onrecht hebben gepleegd aan de zonen van Juda, en onschuldig bloed vergoten in hun land27).

20. En Juda zal in eeuwigheid bewoond blijven, en Jerusalem van geslacht op geslacht28).

21. En Ec zal hun bloedschuld reinigen, die Ec niet gereinigd had28). En de Heer zal wonen op Sion80).

") Hebr.: «van most». De wijnstokken, op de helling der bergen geplant, zullen overvloedig druiven, geven.

**) De kudden, die op de heuvelen grazen, vinden daar welig voedsel en geven alzoo overvloedig melk.

**) Om de landerijen aan hare oevers te besproeien en vruchtbaar te maken.

M) Door die wateren wordt het onvruchtbare «dal van acacia's» (Hebr.) in vruchtbaar land herschapen. De met dichterlijke overdrijving geschilderde aardsche zegeningen zijn een zinnebeeld der geestelijke gaven en van de rijke vruchten van heiligheid in het Rijk Gods van het Nieuwe verbond. Dit blijkt duidelijk uit de bron, die van het huis des Heeren zal uitgaan: in eigenlijken zin bestond deze niet, maar in geestelijken zin gaat zij uit van de Kerk Gods. Vgl. Ezech. XLVII; Apoc. XXII1.

") De Heer zal zijn volk beschermen en zijne vijanden straffen. Dit bewijst

de profeet uit hetgeen geschieden zal met de vijanden van het Rijk Gods onder het Oude Verbond, met de Egyptenaren die reeds onder Roboam tempel en paleis te Jerusalem hadden geplunderd (III Reg. XIV 25), en met de Edomieten, die nog onlangs zich tegen Juda vijandig getoond hadden, toen zij de Joodsche vluchtelingen in hun eigen land verraderlijk hadden gedood (zie Inleiding).

28) Juda en Jerusalem beteekenen hier weder overdrachtelijk het Rijk Gods van het Nieuwe Verbond; dit Rijk zal blijven in eeuwigheid en de poorten der hel zullen het met overweldigen.

™) - Deze reiniging der bloedschuld, of in het algemeen der zondenschuld van Gods volk geschiedt door het Kruisoffer van den Messias.

M) Hetzelfde beloofde Christus in deze woorden: «Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der eeuwen». Matth. XXVIII 20.

vu

5

Sluiten