Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Domini ista, tenebrae, et non lux. Joël II ll; Soph. 115.

19. : Quomodo si fugiat vir a facie leonis, et occurrat ei ursus: et ingrediatur domum, et innitatur manu sua super parietem, et mordeat eum eoluber.

20. Numquid non tenebra? dies Domini, et non lux: et caligo, et non splendor in ea?

21. Odi, et projeci feativitates vestras : et non capiam odorem ccetuum vestrorum. Is. I ff) Jer. VI 20.

22. Quod si obtuleritis mihi holocautomata, et munera vestra, non susoipiam: et vota pinguium vestrorum non respiciam.

28. Aufer a me tumultum carminum tuorum: et cantica lyrae tua? non audiam.

24. Et revelabitur quasi aqua judicium, et justitia quasi torrens fortis.

25. Numquid hostias et sacrificium obtulistis mihi in deserto quadraginta annis, domus Israël? Act. VII 42.

verlangt gij dien voor u? Die dae

liAS Honron A..ir,* 1 vu .,°

—™. umowims Uil Zijn

en geen licht81)!

19. Gelijk wanneer een man vlucht voor een leeuw, en hem een beer te gemoet treedt; en hij een huis binnengaat en met zijne hand leunt tegen den muur, en hem eene slang bijt88). 6

20. Zal niet de dag des Heeren, duisternis zijn en geen licht, en donkerheid en zonder eenigen glans?

21. Ec haat en verwerp uwe feesten; en Ec zal den reuk uwer samenkomsten niet aannemen88).

22. Al brengt gij Mij brandoffers en uwe gaven, Ik zal ze niet aanvaarden; en op de vredeoffers uwer mestkalveren zal Dc niet nederzien84).

23. Neem weg van Mij het getier uwer liederen; en het spel uwer harp wil Ec niet hooren84).

24. En opkomen als water zal het gericht, en de gerechtigheid als een geweldige stortvloed86).

25. Hebt gij Mij wel slachtoffers en spijsoffer gebracht in de woestijn veertig jaren, huis Israël87)?

") Een godsgeriflj* als dat tegen Egypte is voor Israël aanstaande (v. 17). Wat vermetelheid dus naar den door Joël (III) voorspelden dag des Heeren te verlangen, alsof die wraakdag voor het nageslacht van Abraham geen straf zou brengen! Daarom vraagt Amos: waartoe verlangt gij dien dag? en hij verklaart uitdrukkelijk, dat ook voor het zondige Israël duisternis, d. i. allerlei onheil, aanstaande is.

**) Spreekwoordelijke gezegden om allerlei doodsgevaren te beteekenen.

aa) Eene andere reden van zelfbedrog vond Israël in zijne uiterlijke godsdienstplechtigheden. Dien ijdelen waan bestraft God in deze woorden. Den reuk uwer samenkomsten: die samenkomsten zeiven, de offerdieren, welke er opgedragen, de reukwerken, welke er verbrand werden, dat alles schijnt hier bedoeld te zijn.

) Met afschuw verwerpt God de feestdagen en offerplechtigheden, die ook in het noordelijk rijk gevierd werden. Gaven, Hebr.: «spijsoffers».

") Niet minder verafschuwt God alles, wat tot opluistering strekte dier plechtigheden.

"*) Na hun lederen grond tot zelfbedrog te hebben ontnomen, herhaalt God nogmaals de bedreiging van het komend wraakgericht, volgens den grondtekst zal het als de golven van een alles overstroomenden watervloed «zich voortwentelen».

a') Op deze vraag moet een ontkennend antwoord volgen. Want na de eerste maand van het tweede jaar in de woestijn (Exód. XL 15, 27; Lev. VIII 14, v.; IX 1, v.; Num. IX 1—5) schijnt de offerdienst in Israël te zijn gestaakt tot aan de viering van het Paaschfeest na den overtocht van den

ï

Sluiten