Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Misertus est Dominus super hoe: Non erit, dixit Dominus.

4. Haec ostendit mihi Dominus Deus: et ecce vocabat judicium ad ignem Dominus Deus: et devoravit abyssum multam, et comedit simul partem.

5. Et dixi: Domine Deus quiesce, obsecro: quis suscitabit Jacob, quia parvulus est?

6. Misertus est Dominus super hoe: Sed et istud non erit, dixit Dominus Deus.

7. Haec ostendit mihi Dominus: et ecce Dominus stans super murum litum, et in manu ejus trulla ca> mentarii.

8. Et dixit Dominus ad me: Quid tu vides Amos? Et dixi: Trullam caementarii. Et dixit Dominus: Ecce ego ponam trullam in medio populi mei Israël: non adjiciam ultra superinducere eum.

9. Et demolientur excelsa idoli, et sanctificationes Israël desolabuntur: et consurgam super domum Jeroboam in gladio.

uit die ramp op te richten, want Jacob ia klein, d. i. Israël is door oorlogen en rampen uitgeput.

6) Hebr.: «Het berouwde den Heer». Op menschelïjke wijze is dit van God gezegï. Hij liet zich bewegen zijn voorwaardelijk besluit te veranderen.

e) Eenigen tijd later wilde God de steeds klimmende boosheid van Israël door zwaardere kastijding tuchtigen.

') Hij riep het vuur tot dienaar van zijn wraakgericht. Vuur beteekent hier verzengende droogte.

8) Het scheen den profeet, dat door de felle hitte de groote afgrond, d. i. (Gen. I 2; VIII 11) de zee, uitdroogde en dat het aandeel, d. i. het door God aan Israël geschonken land (Deut. X 9; XIV 27 enz.), met al het groen verzengd werd.

") Israël bleef hardnekkig. Daarom openbaart God de gerechte straf, die Hij zal volvoeren.

3. De Heer ontfermde zich ten dezen5): Het zal niet geschieden, sprak de Heer.

4. Dit liet mij zien de Heere God6): en zie, de Heere God riep het gericht tot het vuur 7), en het verslond den grooten afgrond, en het verteerde te gelijk het aandeel8).

5. En ik sprak: Heere God, laat af, smeek ik f Wie zal Jacob oprichten? want klein is hij.

6. De Heer ontfermde zich ten dezen: En ook dit zal niet geschieden, sprak de Heere God.

7. Dit liet mij zien de Heer9): en zie, de Heer stond op een bepleisterden muur, en in zijne hand was een metselaarstroffel.

8. En de Heer sprak tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik sprak: Een metselaarstroffel. En de Heer sprak: Zie, Ec zal den troffel leggen te midden van mijn volk Israël; voortaan zal Dc het niet meer bepleisteren10).

9. En verwoest zullen worden de hoogten des afgods11), en de heiligdommen van Israël zullen gesloopt worden; en Ik zal Mij tegen het huis van Jeroboam verheffen met het zwaard18).

10) Amos ziet in den geest den Heer •taan, volgens den grondtekst waarschijnlijk, «op een vertinden», d. i. op een met gesmolten tin bestreken muur. Het vertmsel diende èn tot versterking èn tot versiering. Zoo had God Israël sterk en luisterrijk gemaakt. Want Hij was de bouwmeester van dien muur; daarom zag Hem de profeet met een troffel, Hebr. «met vertinsel», in zijne hand. God zal den troffel of dat vertinsel uit zijne hand leggen te midden van zijn volk, m. a. w. Hij zal Israël aan zijn eigen lot overlaten. Het gevolg hiervan wordt verklaard in net volgende vers.

") De hoogten of bamöth, waarop men de afgoden vereerde. Het Hebreeuwsch vertaalt men «de hoogten van Isaac», maar liever volgen wij de Septuagint: «de altaren der belaching» (zie Gen. XXI 3, 6), d, i. de bespottelijke altaren.

") Zie de vervulling IV Reg. XV 10;

Sluiten