Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a vobis: scio enim ego quoniam propter me tempestas haec grandis venit super vos.

13. Et remigabant viri ut reverterentur ad aridam, et non valebant: quia mare ibat, et intumescebat super eos.

14. Et clamaverunt ad Dominum, et dixerunt: Quaesumus Domine, ne pereamus in anima viri istius, et ne des super nos sanguinem innocentem: quia tu Domine, sicut voluisti, fecisti.

15. Et tulerunt Jonam, et miserunt in mare: et stetit mare a fervore suo.

16. Et timuerunt viri timore magno Dominum, et immolaverunt hostias Domino, et voverunt vota.

de zee zal bedaren voor u; want ik weet, dat om mijnentwil deze zware storm over u gekomen is9).

13. En de lieden roeiden om naar het droge terug te keeren, maar zij vermochten het niet; want de zee werd gaandeweg onstuimiger tegen hen.

14. En zij riepen tot den Heer en zeiden; wij smeeken, o Heer, laat ons niet omkomen wegens het leven van dezen man en reken ons geen onschuldig bloed aan; want Gij, Heer, gelijk het ü behaagde, hebt Gij gedaan10).

15. En zij namen Jonas op en wierpen _ hem in de zee, en de zee stond stil van hare onstuimigheid.

16. En de lieden vreesden met groote vreeze den Heer11) en zij slachtten den Heer offers en deden geloften.

CAPUT II.

HOOFDSTUK II.

mos in den visch. Zijn gebed tot Ood. Zijne redding.

1. Et praeparavit Dominus piscem grandem ut deglutiret Jonam: et

1. En de Heer beschikte een grooten visch om Jonas in te zwelgen1);

*) Uit het allen bedreigend doodsgevaar begrijpt Jonas, dat God het offer van zijn leven vordert, en in boetvaardige onderwerping aan Gods wil is hij tot dat offer bereid.

10) De schepelingen vreezen den God van Jonas te beleedigen door zijnen dienaar in de zee te werpen en, beducht voor zijne goddelijke wraak, bidden zij, dat Jehova het bloed of het leven van Jonas, die ten opzichte van hen onschuldig was, niet op hen zou wreken. Uit de verklaring van Jonas zeiven (v. 12) en uit den steeds heviger woedenden storm bleek hun, dat de Heer het offer van Jonas' leven vorderde; daarom zeggen zij: Gij hebt gedaan enz., d. i. Gij hebt ons uwen wil, dat Jonas sterve, duidelijk genoeg te kennen gegeven.

") In het plotseling bedaren van

den storm erkennen zij de macht van Jehova.

*) De Septuagint en de Vulgaat (Matth. XII 40) noemen den visch Kétos, Cete, welk woord in het algemeen zeegedrocht beteekent. Welk zeegedrocht hier bepaaldelijk bedoeld wordt, zegt het Bijbelverhaal niet. Vroeger dacht men veelal aan een walvisch; doch reeds A Lapide en Sanctius achtten het op wetenschappelijke gronden waarschijnlijker, dat het een reuzenhaai (squalus earcharias) zou geweest zijn. Dit zeemonster, dat in deMiddellandsche zee voorkomt, blijft gewoonlijk in de nabijheid van de schepen en kan, naar men beweert, niet slechts een volwassen mensch, maar ook paarden en runderen inslokken. Sommigen houden het voor natuurlijkerwijze mogelijk, dat

Sluiten