Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

non moriemur ? Domine in judicium posuisti eum: et fortem ut corriperes, fundasti eum.

13. Mundi sunt oculi tui, ne videas malum, et respicere ad iniquitatem non poteris: quare respicis super iniqua agentes, et taces devorante impio justiorem se?

14. Et facies homines quasi pisces maris, et quasi reptile non habens principem?

15. Totum in hamo sublevavit, traxit illud in sagena sua, et congregavit in rete suum. Super hoe laetabitur et exsultabit.

16. Propterea immolabit sagena? BU33, et sacrificabit reti suo: quia in ipsis incrassata est pars ejus, et cibus ejus electus.

17. Propter hoe ergo expandit sagenam suam, et semper interficere gentes non pareet.

wij zullen immers niet sterven? Heer, ten gerichte hebt Gij hem gesteld, en sterk hebt Gij ter tuchtiging hem gemaakt11).

13. Te rein zijn uwe oogen om kwaad aan te zien, en toeschouwen op ongerechtigheid kunt Gij niet: waarom schouwt Gij dan toe op boosdoeners en zwijgt Gij, als de goddelooze verslindt een gerechtiger dan bij ll)?

14. En maakt Gij menschen als visschen der zee en als kruipend gedierte, dat geen opperhoofd heeft") ?

15. Alles haalt hij op met den vischhaak, hij sleept het in zijn net en verzamelt het in zijn garen14). Daarover verheugt hij zich en juicht hij.

16. Daarom offert hij aan zijn net en wierookt hij aan zijn garen; want door deze werd zijn aandeel vet en zijne spijze keurig16).

17. Daarom dan16) legt hfl zijn net uit en voortdurend volkeren te worgen ontziet hij zich niet.

") De profeet, vol schrik voor de komst der Chaldeërs, wendt zich, uit naam van zijn volk, tot God. Uit de overtuiging, dat Jehova van den beginne van Israël's uitverkiezing de God is van zijn volk, de Heilige, die om zijne heiligheid te doen uitschitteren eens Israël heeft uitgekozen (Exod. XIX 6), put hij zijn vertrouwen: wij zullen niet sterven, d. i. door den Chaldeër niet ten cenenmale vernietigd worden. God wil slechts Israël tuchtigen tot zijn heil en daartoe heeft Hij den Chaldeër. sterk gemaakt; Hebr.: «en Gij, o Rots,

tot tuchtiVin<r heht fJii ham haatdA~.

rots heet Jehova als de onveranderlijke, getrouwe God.

") JJaar uoa m zijne heiligheid

(te rein finz.1 de mnrlsn nnlr ïn .iïn

uitverkoren volk straft, klaagt de profeet (waarom), dat Hij met welgevallen schiint neer te zien on d«n fThulHoëi.

boosdoener en goddelooze geheeten, en dat Hij zwijgend, d. i. ongestraft, schijnt

ie ïaien, uai ueze nei gerecntigere,

d. i. minder schuldige, Juda verslindt, d. i. van zijn goed recht en van zijn volksbestaan berooft.

") God levert aan den Chaldeër de menschen, d. i. de volken, over als visschen, die zonder verdediging en zonder rechten, geen opperhoofd hebhen, dat hen beschermt. Vgl. Prov. VI 7; XXX 27. Kruipend gedierte beteekent ook hier visschen; zie Gen. I noot 17.

") Die visscher is de Chaldeër.

") Door zijne overwinningen en zijnen voorspoed wordt de Chaldeër steeds trotscher en vergoodt hij zijn nei enz., d. L zijne krijgsmacht, bijgevolg zich zeiven. Zie v. 11.

") Daar hij steeds begeerig is naar nieuwen balt. In den grondtekst op vragende wijze: «Zal hij daarom (vffl hij zoo gelukkig slaagt in die vischvangst) zijn net ledigen (om het weer aanstonds te gaan vullen) en voortdurend belust zijn, volken te worgen zonder verschooning?»

Sluiten