Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prophetia Sophoniae.

CAPUT I.

HOOFDSTUK I.

Het wereldgericht (v. 2—3); het gericht over Juda en Jerusalem (v. 4Nabij is de dag des Heeren (v. 14 18).

-13).

ERBUM Domini, quod factum est ad Sophoniam filium Chusi, filii Godoliae, filii Amariae, filii Ezeciae, in diebus Josiae filii Amon

regis Judas.

2. Congregans congregabo omnia a facie terra», dicit Dominus:

3. Congregans hominem, et pecus, congregans volatilia coeli, et pisces mans: et ruinaB impiorum erunt: et disperdam homines a facie terrae, dicit Dominus:

4. Et extendam manum meam super Judam, et super omnes habitantes Jerusalem: et disperdam de loco hoe reliquias Baal, et nomina sedituorum cum sacerdotibus:

') Eerst (v. 2, 3) het wereldgericht,

dat. volffens Ha rppda huWnH» ~„a„

ken (Joël II 31; III 14; Amos I, II)"

in den loon dor cmivon .t^..i '

op het einde der dagen de zonden wreekt.

*\ Evennis hii rior. j i

uoa met den schuldigen mensch ook de schenselen. ten Hioneto H« ™ 1

geschapen, met zijne wraak treffen. Vgl. Osee IV 3, noot 6.

M Het D-ndscrorinht T..J-

Jerusalem. God wordt gezegd zijne hand uit te strekken, wanneer Hij grootsche daden gaat verrichten; zie Exod. Hl 20, waar de plagen van Egypte,

E T woord des Heeren, dat geschied is tot Sophonias, zoon van Chusi, zoon van Godolias, zoon van Amarias, zoon van

KzenViiao in An A„

gen van Josias, zoon van Amon koninff van Juda.

2. Wegrapend zal Ec alles wegrapen van het aanschijn der aarde1) zegt de Heer:

3. Wegrapen mensch en vee, wegrapen de vogelen des hemels en de visschen der zee; en de ondergang der goddeloozen zal het zijn; en verdelgen zal Ik de menschen van het aanschijn der aarde»), zegt de Heer.

4. En Ik zal mijne hand uitstrekken over Juda en over alle bewoners van Jerusalem8); en verdelgen zal Ik uit deze pjaats het overschot van Baal en de namen der tempeldienaren met de priesters*);

Deut. TV 34; V 15, waar de wonderen bi] den uittocht met die zegswijze worden ingeleid. Ook hier dus wordt een streng en geweldig gericht aangekon. digd.

*) De hoofdreden van het vonnis over Juda is zijne afgoderij, die te gelijk met zijne bevolking zal worden uitgeroeid. Het overschot van Baal, d. i. tot de laatste sporen van dien eeredienst. Tempeldienaren schijnen de priesters van Baal te zijn, die genoemd worden nevens de aan die afgoderij schuldige, wettige priesters (vgl. III4); beiden zullen aan de vergetelheid worden prijsgegeven.

vn

ït

Sluiten