Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quidsanctificabitur? Respondentes autem sacerdotes, dixerunt: Non.

14. Et dixit Aggseus: Si tetigerit pollutus in anima ex omnibus bis, numquid contaminabitur? Et responderunt sacerdotes, et dixerunt: Contaminabitur.

15. Et respondit Aggaaus, et dixit: Sic populus iste, et sic gens ista ante faciem meam, dicit Dominus, et sic omne opus manuum eorum: et omnia qua? obtulerunt ibi, contaminata erunt.

16. Et nunc ponite corda vestra a die hac et supra, antequam poneretur lapis super lapidem in templo Domini.

17. Cum accederetis ad acervum viginti inodiorum, et fierent decem: et intraretis ad torcular, ut exprimeretis quinquaginta lagenas, et fiebant viginti.

18. Percussi vos vento urente, et aurugine, et grandine omnia opera manuum vestrarum: et non fuit in vobis, qui reverteretur ad me, dicit Dominus. Amos IV 9.

19. Ponite corda vestra ex die ista, et m futurum, a die vigesima et

") Wat met heilig, d. i. aan den Heer geofferd, vleesch in onmiddellijke aanraking was geweest, werd als heilig beschouwd en mocht vóór de wettelijke ontheiliging niet tot gewoon gebruik dienen; maar die wettelijke heiligheid ging met over op zaken, die in middellijke aanraking kwamen met heilig vleesch. Wettelijke onreinheid echter gmg ook bij middellijke aanraking over vv4 P,00r* eene t^1' d- *• blijkens Lev. aai li, door de ziel eens dooden, of T\e^5r,.M00r de afwezigheid eener ziel. Drndehiker vertaalt de H. Hiëronymus Lev. XXII 4; Num. V 2; VI 6 enz. een vanwege een doode onreine: deze onreinheid, die door de aanraking of door de nabijheid van een hjk werd veroorzaakt, was een der voornaamste: zij; duurde zeven dagen en te harer reiniging waren vele plechtigheden voorgeschreven: vgL Num. XIX li¬

ters nu antwoordden en zeiden: Neen12).

14. En Aggeüs zeide: Wanneer een door eene ziel onreine18) iets van dat alles aanraakt, zal dit onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden.

15. En Aggeüs antwoordde en zeide: Desgelijks is dit volk en' desgelijks deze natie voor mijn aangezicht, zegt de Heer, en desgelijks alle arbeid hunner handen en alles, wat zij daar offeren: onrein is het14).

16. En nu, vestigt er uw hart op van dezen dag af en opwaarts, eer, er steen op steen gelegd werd aan den tempel des Heeren15).

17. Wanneer gij kwaamt tot een garvenhoop van twintig maten16) en er tien waren; en gij in de wijnpers gingt om vijftig flesschen te persen, en er twintig waren.

18. Ec heb u geslagen met brandenden wind en met korenbrand en met hagel, al den arbeid uwer handen; en niemand was er onder u, die terugkeerde tot Mij, zegt de Heer.

19. Vestigt er uwe harten op van dezen dag af en in de toekomst, van

20. Al wat die onreine aanraakte werd onrein (t. a. p. v. 22).

") De profeet verklaart de strekking dier vragen. Het volk was door zijne nalatigheid onrein, en de onvoltooide tempel was als 't ware een lijk, dat hen niet wettelijk, maar voor God en in hun hart onrein maakte. Daarom was alle arbeid hunner handen enz. onrein in dien zin, dat Gods welbehagen op hen niet rusten kon, zoolang zij, zorgeloos voor hunne geestelijke belangen, alleen voor het tijdelijke bezorgd waren.

) Denkt eens goed na, wat er. gebeurd is van dezen dag af. Welken? Zle 19- Alvorens zij met den tempelbouw weder begonnen waren, rustte klaarblijkelijk Gods zegen niet op hunnen, arbeid.

'") d. i. Die volgens matige berekening m een goed oogstjaar twintig maten kon geven.

Sluiten