Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesloten. Toen zij geschreven werden, was de tijd genaderd, waarop de reeds in het Boek Genesis vermelde en in de daarop volgende boeken zoo dikwijls en telkens duidelijker herhaalde voorspellingen omtrent den goddélijken Stichter van het Nieuwe Verbond gingen verwezenlijkt worden. De door Daniël (IX 23 volg,) bepaalde jaarweken begonnen ten einde te spoeden; de door hem (Dan. VIII) voorspelde strijd tusschen Perzen en Grieken was beslecht, het Grieksche rijk (Dan. VILT 22) in vier zwakkere rijken verdeeld en de goddelooze vervolger van het heilige volk (Dan. VIII 23—25 en I Mach. I; II Mach. 111—16) door Gods macht vernietigd. Niet zonder reden nu wordt in den aanhef van het Eerste Boek (I 1—10) op dien strijd en die verdeeling gewezen en van de aanslagen en den dood der vervolgers in beide boeken uitvoerig melding gemaakt; niet zonder reden ook laten de schrijvers der beide boeken het Romeinsche rijk, het vierde der groote wereldrijken (Dan. H 29—45), als uit de verte opdoemen: het is, als wilden zij uitdrukkelijk wijzen op de vervulling der voorspellingen omtrent den Messias en tevens de gebeurtenissen met den vinger aantoonen, die de vestiging en uitbreiding van zijn Rijk in de wereld zouden voorafgaan en vergemakkelijken. Wel beijveren zich beide schrijvers door feiten te bewijzen, hoe God nog steeds trouw de beschermende God van het Oude Verbond is; wel toont de schrijver van het Tweede Boek door tal van wonderbare gebeurtenissen aan, dat de tempel te Jerusalem het eenige door God uitverkozen heiligdom van den ouden geopenbaarden godsdienst moest blijven; maar voor den vromen Israëliet was die trouw tevens een onderpand, dat God ook ongetwijfeld de in het Oude Testament zoo dikwijls herhaalde beloften omtrent den Stichter van een Nieuw Verbond zou vervullen, en de verheffing van den tweeden tempel moest hem noodzakelijkerwijze er aan herinneren, hoe, naar de voorspelling van Aggeüs (II 7, 8), de Verlosser der wereld dezen tempel door zijne tegenwoordigheid zou komen verheerlijken.

Zoo sluiten zich dan de twee Boeken der Machabeën waardig en doelmatig aan bij de historische en profetische boeken van het Oude Verbond, en wijzen zij tevens door hunnen inhoud op Dengene, die, als «het einde der Wet» (Rom. X 4), het Oude Verbond zou vervullen en van Wien in het Nieuwe Verbond de vernieuwing, verheffing en heiliging van alles zou uitgaan, Jesus Christus, den Koning der eeuwen, aan Wien alle eer en glorie.

Sluiten