Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPÜT III. HOOFDSTUK III.

Krijgsroem van Judas den Machabeër (v. 1—9). Hij overwint Apollonius (v. 10—12) en Seron, veldheer en van Antiochus (v. 13—26). Deze verzamelt een groot leger; hij rukt zelf op naar Persië om zijn schatkist te vullen en gelast zijnen onderkoning Lysias de Israëlieten uit te roeien (v. 27—37). Lysias zendt Ptolemeüs, Nieanor en Oorgias met een groot leger Tiaar Judea (v. 38—41). Judas en de zijnen bereiden zich ten strijd door gebed en vasten (v. 42— 54). Wijze beschiklsingen en opwekkende woorden van Judas (v. 55— 60).

1. Et surrexit Judas, qui vocabatur Machabaeus filius ejus pro eo:

2. Et adjuvabant eum omnes fratres ejus: et universi, qui se conjunxerant patri ejus, et proeliabantur prcelium Israël cum laetitia.

3. Et dilatavit gloriam populo suo, et induit se loricam sicut gigas, et succinxit se arma bellica sua in prceliis, et protegebat castra gladio suo.

4. Similis factus est leoni in operibus suis, et sicut catulus leonis rugiens in venatione.

5. Et persecutus est iniquos perscrutans eos, et qui conturbabant populum suum, eos succendit f lammis:

6. Et repulsi sunt inimici ejus prae timore ejus, et omnes operarii iniquitatis conturbati sunt: et dlrecta est salus in manu ejus.

7. Et exacerbabat reges muitos, et laetificabat Jacob in operibus suis, et in saeculum memoria ejus in benedictione.

8. Et perambulavit civitates Juda, et perdidit impios ex eis, et evertit iram ab Israël.

*) De afvallige Joden en de Syriërs, hunne verleiders en begunstigers, die het Joodsche volk om zijnen godsdienst verontrustten, vervolgde hij te vuur en te zwaard.

s) Hij verbitterde, nl. door de herhaalde nederlagen, die hij hun toebracht,

1. En Judas, die genoemd werd de Machabeër, zijn zoon, stond op in zijne plaats,

2. en hem hielpen al zijne broeders en allen, die zich hij zijnen vader hadden aangesloten, en zij streden den strijd van Israël met opgetogenheid.

3. En hij breidde den roem uit van zijn volk, en bij bekleedde zich met een pantser als een reus, en hij omgordde zich met zijne krijgswapenen in de gevechten, en hij beschermde het leger met zijn zwaard.

4. Hij werd aan een leeuw gelijk in zijne daden en als een jonge leeuw, die brult bij de jacht.

5. En hij vervolgde de ongerechtigen1) en speurde hen na, en wie zijn volk verontrustten, die verbrandde hij in de vlammen.

6. En zijne vijanden werden teruggedreven door de vrees voor hem, en alle bewerkers van ongerechtigheid geraakten in ontsteltenis, en heil werd bewerkt door zijne hand.

7. En hij verbitterde vele koningen*) en hij verheugde Jacob door zijne daden, en voor eeuwig is zijne gedachtenis in zegening.

8. En hij doorliep de steden van Juda en verdelgde daaruit de goddeloozen en hij wendde den toorn3)

I af van Israël.

I o. a. de koningen Antiochus Epiphanes, diens zoon Antiochus Eupator, Demetrius en, afgezien van de onderkoningen der • Syriërs, ook verscheidene andere vorsten. Vgl. I Mach. V 24 volg.; II Mach. V 8. *) Gods gramschap. Vgl. II v. 49.

Sluiten