Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66. Et movit castra ut iret in terram alienigenarum, et perambulabat Samariam

67. In die illa ceciderunt sacerdotes in bello, dum rolunt fortiter facere, dum sine consilio exeunt in prcelium.

68. Et declinavit Judas in Azotum in terram alienigenarum, et diruit aras eorum, et sculptilia deorum ipsorum succendit igni: et cepit spolia civitatum, et reversus est in terram Juda.

66. En bij brak de legerplaats op om het land der vreemdelingen binnen te rukken en hij trok door Samariasl).

67. Dien dag vielen priesters in het gevecht, terwijl zij dapper wilden handelen en zonder beleid ten strijde trokken.

68. En Judas wendde zich tegen Azotus in het land der vreemdelingen en haalde hunne altaren omver en verbrandde met vuur de gesneden beelden hunner goden en bemachtigde den buit der steden, en hij keerde terug naar het land Juda.

CAPUT VI. HOOFDSTUK VI.

Antiochus Epiphanes wil Elymaïs plunderen, doch wordt op de vlucht gedreven; hij verneemt den tegenspoed zijner legers in Judea en sterft. Zijn zoon, Antiochus Eupator, volgt hem op fv. 1—17). Judas belegert den burcht te Jerusalem fv. 18—20). Antiochus wordt ten oorlog tegen hem aangespoord fv. 21—27) en komt met een groot leger Bethsura belegeren fv. 28—81). Judas valt hem aan en doodt zeshonderd man fv. 82—42). Wapenfeit en dood van Eleazar fv. 48—46). Antiochus trekt op naar Jerusalem; Bethsura geeft zich over fv. 47—50). Beleg van Jerusalem en hongersnood aldaar fv. 51—54). Op raad van Lysias sluit Antiochus vrede met de belegerden om Philippus te gaan bestrijden, die zich van Antiochië had meester gemaakt. Meineed des konings fv. 55—63).

1. Et rex Antiochus perambulabat superiores regiones, et audivit esse civitatem Elymaidem in Perside nobilissimam, et copiosam in argento, et auro,

1. En koning Antiochus doorliep de bovenlanden en vernam, dat de stad Elymaïs in Perzië1) zeer vermaard en rijk was aan zilver en goud,

zware nederlaag had toegebracht. Vgl. v. 3. Chebron, of Hebron, reeds ten tijde van Roboam een zeer sterke stad (vgl. II Par. XI 10), heden El Khalil, ten zuiden van Jerusalem, lag in het stamgebied van Juda, maar was destijds in de handen der Edomieten. Vgl. noot 2.

") Sommigen meenen, dat hier Marissa of Maresa dient gelezen te worden, daar deze stad op den kortsten weg lag, die naar het land der vreemdelingen, d. i. der Philistijnen, leidde. Maresa, heden alleen puinhoopen, Me-

rasj genaamd, lag dicht bij de westelijke helling der bergen van Juda. Intusschen niets belet aan te nemen, dat Judas zijnen weg daarheen door het gebied van Samaria wilde némen en dat hij zich later naar het zuidwesten wendde (vgl. v. 68) om Azotus te belegeren.

') De schrijver hervat hier het onderbroken verhaal van III31—37 omtrent den tocht van Antiochus Epiphanes naar de bovenlanden (vgl. III 37 noot 17). Elymaïs was een gewest van

Sluiten