Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60. Et abiit cum gloria Ptolemaidam, et occurrit ibi duobus regibus, et dedit illis argentum multum, et aurum, et dona: et invenit gratiam in conspectu eorum.

61. Et convenerunt adversus eum

viri pestilentes ex Israël, viri iniqui interpellantes adversus eum: et non

in ten dit ad eos rex.

62. Et jussit spoliari Jonathan vestibus suis, et indui eum purpura: et ita fecerunt. Et collocavit eum rex sedere secum.

63. Dixitque principibus suis: Exite cum eo in medium civitatis, et pradicate, ut nemo adversus eum interpellet de ullo negotio, nee quisquam ei molestus sit de ulla ratione.

64. Et factum est, ut vid erunt qui interpellabant gloriam ejus, quae praedicabatur, et opertum eum purpura, fugerunt omnes:

65. Et magnificavit eum rex, et scripsit eum inter primos amicos, et posuit eum ducem, et participem principatus.

66. Et reversus est Jonathas in Jerusalem cum pace, et laetitia.

67. In anno centesimo sexagesimo quinto venit Demetrius filius Demetrii a Creta in terram patrum suorum.

68. Et audivit Alexander rex, et contristatus est valde, et reversus est Antiochiam.

69. Et constituit Demetrius rex

Apollonium ducem, qui praeerat Ccelesyrias: et congregavit exercitum magnum, et accessit ad Ja-

60. En deze vertrok met luister naar Ptolemaïs en ontmoette daar de twee koningen en gaf hun veel zilver en goud en geschenken, en hij vond genade voor hun aanschijn.

61. En er vergaderden tecen h«m

verderfelijke mannen uit Israël, goddelooze mannen, die bezwaren tegen hem maakten; maar de koning gaf geen acht op hen.

62. En hij beval Jonathas te ontdoen van zijne kleederen en hem met purper te bekleeden, en zoo deden zij. En de koning plaatste hem naast zioh op eenen zetel.

63. En hij zeide tot zijne vorsten: Trekt uit met hem naar het midden der stad en maakt bekend, dat niemand tegen hem een bezwaar make over eenige zaak en niemand hem om eenige reden lastig valle.

64. En het gebeurde, toen degenen, welke bezwaren maakten, zijne heerlijkheid zagen, die verkondigd werd, en hoe hij met purper bekleed was, dat allen op de vlucht gingen.

65. En de koning deed hem groote eer aan en schreef hem op onder ziine voornaamste vrienden en stelde

hem aan als bevelhebber en als deelgenoot aan de regeering. 66. En Jonathas keerde naar Je¬

rusalem terug in vrede en vreugde.

67. In het jaar honderd vijf en

zestiff kwam Demetrius. zoon van

Demetrius, van Creta in het land zijner vaderen*8).

68. En koning Alexander hoorde

het, en hij werd zeer bedroefd en keerde naar Antiochië terug*9).

69. En koning Demetrius stelde Apollonius, die het bewind voerde over Ccelesyrië, tot bevelhebber aan, en deze verzamelde een groot

*•) In 148 vóór Chr. Bij het uitbreken van den oorlog tegen Alexander had Demetrius Soter zijne zonen Demetrius II, later meetor genoemd, en Antiochus, veiligheidshalve naar Cnidus in Carië gezonden. Demetrius Nicator maakte nu gebruik van de

ontevredenheid der onderdanen van Alexander om op Creta een leger te werven, waarmede hij in Cilicië landde en daarna tegen Alexander oprukte.

*") Dit geschiedde drie jaren na zijn huwelijk met Cleopatra. Vermoedelijk hield hij toen verblijf te Ptolemaïs.

Sluiten