Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aureis decori, ducatum Judaeis praestantes:

30. Ex quibus duo Machabaeum medium habentes, armis suis circumseptum ineolumem conservabant: in adversarios autem tela, et fulmina jaciebant, ex quo et caecitate confusi, et repleti perturbatione cadebant.

31. Interfecti sunt autem viginti millia quingenti, et equites sexcenti.

32. Timotheüs vero confugit in Gazaram praesidium munitum, cui praeerat Chaereas.

33. Machabaeus autem, et qui cum eo erant, laetantes obsederunt praesidium diebus quatuor.

34. At hi, qui intus erant, loei firmitate confisi, supra modum maledicebant, et sermones nefandos jactabant.

35. Sed cum dies quinta illucesceret, viginti juvenes ex bis, qui cum Machabaeo erant, accensi animis propter blasphemiam, viriHter accesserunt ad murum, et feroci animo incedentes ascendebant:

36. Sed et alii similiter ascendentes, turres, portasque succendere aggressi sunt, atque ipsos maledicos vivos concremare.

37. Per continuüm autem biduum praesidio vastato, Timotheum occultantem se in quodam repertum lóco

paarden met gouden toornen versierd, om den Joden geleide te geven.

30. Twee van hen, die den Machabeër in hun midden hadden, omschutten hem met hunne wapenen en bewaarden hem ongedeerd; tegen de vijanden daarentegen slingerden zij schichten en bliksems, ten gevolge waarvan dezen èn door blindheid in verwarring gebracht èn, met ontsteltenis vervuld, terneervielen.

31. Gedood werden er dan twintig duizend vijfhonderd benevens zeshonderd ruiters17).

32. Timotheüs evenwel vluchtte naar Gazara, een sterke vesting, waarover Chaereas het bevel voerde»).

33. De Machabeër echter en die zich bij hem bevonden, belegerden met opgewektheid de vesting gedu

rende vier dagen.

34. Maar zij, die er in waren, vertrouwende op de sterkte der plaats, lasterden bovenmate en braakten gruwelijke woorden uit.

35. Maar bij het aanbreken van H«n viifden daer naderden twintig

ioncelineen uit degenen, die zich

bij den Machabeër bevonden, in toorn ontstoken wegens de lastering, manmoedig den muur en, met onstuimigen moed voortrukkend,

I klommen zij naar boven.

I 36. Maar ook de anderen, insgelijks naar boven klimmend, begonnen de torens en poorten in brand te steken en de lasteraars zeiven levend te verbranden. 37. Nadat zij dan gedurende twee dagen achter elkander de vesting verwoest hadden, brachten zij Ti-

lf) Vgl. III 25 volg.; V 2.

") Welke plaats hier door Gazara bedoeld wordt, is moeielijk te beslissen. Vgl. I Mach. IV noot 9; XIII noot 21; XIV 7. Blijkens v. 37 was Chaereas een broeder van Timotheüs. Omtrent den persoon van dezen en zijne verhouding tot den Timotheüs, die ver¬

meld wordt II Mach. VIII 30, 32, is het- moeielijk iets met voldoende zekerheid te bepalen. Daar hier (v. 37) zijn dood vermeld wordt, meenen niet weinigen, dat II Mach. XII 2 volg. aan eenen anderen Timotheüs moet gedacht worden. Zie XII noot 1.

Sluiten