Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetwelk de apostel uitdrukkelijk met de Kerk yereenzel* vigt, o.a. waar hij in zijn brief aan de Ephesiërs1) zegt: (God heeft Christus) „zelf aangesteld tot hoofd over geheel de Kerk, die zijn lichaam is"; en men zou geraken tot het voor sommigen verrassend en voor allen tref* fend besluit: in de eeuwigheid van Gods gedachte niet zonder zijn Kerk — en de Kerk niet zonder Hem — is de Christus, na zijn komst op aarde, niet volledig zonder de Kerk en de Kerk dankt haar volheid aan Hem; Christus en de Kerk komen in de goddelijke beschik* king en in de geschiedenis voor als twee van elkaar onafscheidbare wezens. Maar om ons hoofdstuk beter te doen passen in den logischen opbouw van dit boek, mogen we onze aandacht niet zoozeer wijden aan het innerlijk organisme als wel aan de uiterlijke organisatie van Christus' Kerk, wier stichting, inrichting en onver* gankelijkheid we in 't kort willen aantoonen.

I.

Het feit van de goddelijke stichting der Kerk blijkt vooreerst uit Christus' leer over het rijk Gods en het rijk der hemelen, vervolgens uit de openbaring van zijn uitdrukkelijken wil om een Kerk te stichten, uit de maat* regelen door Hem getroffen omtrent alles, wat met de Kerkstichting samenhing, uit zijn zending tot heil van alle menschen.

Volgens het oordeel van vrijwel alle exegeten bestaat de hoofdgedachte van Christus' prediking in het ver*

*) Eph. 1:23,

Sluiten