Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoord, dan schelden de jongens mij voor koelak, Moeder. Ik heb toch nooit iemand kwaad gedaan?"

Barbara Festner verbleekte. Is het dan al zoo ver, dat zij zelfs onzen kinderen dien naam geven? ging haar door het hoofd. Wat moet dat worden, als het zoo doorgaatl Zij dwong zich echter tot kalmte en streek haar jongen over hei blonde hoofd.

„Trek je er maar niets van aan, mijn jongen", sprak zij. „Je bent geen koelak. Vader bedriegt niemand en verdient in het zweet zijns aanschijns voor ons eerlijk ons dagelijksch brood. Je moet niet zoo gauw huilen, als de kinderen iets doms zeggen."

Maar ondanks Moeder's kalmeerende woorden, kwamen de tranen Tan den kleine opnieuw los.

„Moedertje, Leo Windisch zegt, dat zij we! gauw In ons huis zullen wonen en dat wij ons een hol kunnen graven in de steppe. Daar kunnen wij dan als dolle honden sterven."

Barbara nam haar jongen in de armen en droogde zijn tranen met een punt van haar schort.

„Naar zulk goddeloos geklets moet je niet luisteren", sprak zij. „Het is toch maar een domme jongen".

De kleine jongen hield op met snikken. Maar op Barbara's hart was een zware last gevallen. Zij vreesde, dat de praatjes van Leo

Windisch niet licht moesten worden opgenomen Hij had het

toch niet zelf verzonnen. Het was ongetwijfeld een weerklank van hetgeen hij thuis had hooren bespreken. Van zijn vader wist men reeds lang, dat hij met Rosenbaum, een joodschen communist uit Duitschland, den almachtigen regeeringsvertegenwoordiger, bevriend geworden was. Het zou er leelijk uitzien, als zijn oog op de boerderij

gevallen wasl Als was het ook reeds lang niet meer het rijke

bezit van vroeger, dan was het toch altijd nog de voornaamste hofstede van het dorp. Wat hadden haar man en haar broeders hun best gedaan om ieder spoor van verval te herstellen. Zou dit nu mogelijk nog hun verderf worden?

De zomer ging voorbij in zware zorgen. Hoe was men een jaar geleden nog met nieuwe hoop aan den oogst gegaan. Nu begon men ermede, onder een zwaren zorgenlast gebukt. Zal men met den oogst nog zijn dagelijksch brood verdienen? Zal men ook nog eens kunnen zaaien en oogsten?

Er ontstond een woord, dat men vroeger nog nooit had gehoord. Maar in korten tijd was het in ieders mond. Het was een nieuwe vinding van het bolsjewisme. Het moest een onfeilbaar middel zijn om de communistische doelstellingen in Rusland te verwezenlijken.

En dat woord was „collectief". Een juiste voorstelling kon men zich er niet van maken. Maar iedere Duitsche boer werd van afschuw vervuld bij dit woord. Men besefte, dat het een vreeselijk ongeluk, ja, den ondergang beteekende. Wat waren alle nieuwe vindingen van het bolsjewisme tot dusver anders geweest dan onbeschrijfelijke ellende, de allerhoogste nood, verwoesting en vernietiging!

In dezen zomer werd de familie Heininger door bitter leed ge troffen.

Sluiten