Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden aangebonden".

Waarbij deze woorden van Olechouk zich op waardige wijze aansluiten (in zijn Antwoord aan een geloovige, De God-looze van 29 Juli 1934): „Het is onmogelijk om een scheidslijn te trekken tusschen ware Christenen en „Christenen" tusschen aanhalingsteekens. Alle geloovigen zijn trouwens gelijk. Elke godsdienst, zooals Marx verklaarde, is opium voor het volk. Elke godsdienst is een middel om de arbeiders te exploiteeren en in slaap te wiegen. Daarom zgn wij tegen alle vormen van geloof."

Alle machten, waarover de Staat beschikt, alle organisaties, alle Commissariaten (Ministeries) worden tot den strijd gemobiliseerd. Alle hebben tot taak het groote publiek wijs té maken dat geloof beteekent reactie, imperialisme, uitbuiting der menigte, oorlog, domheid; ja, vooral domheid; en het gevleugelde woord van Stalin zal weldra in zijn onmetelijk rijk als een axioma gelden: „Ik ben tegen den godsdienst, omdat ik vóór de „wetenschap" ben."

Alle Commissariaten moeten het geloof bestrijden. Doch vooral, en dat ligt in de lijn, het Commissariaat van Onderwijs.

Van vrijheid voor den onderwijzer, geen sprake. Loenatcharsky had reeds gezegd: „Bij ons kan het onderwijs niet anders dan communistisch, dX anti-godsdienstig zijn." En steeds hebben de autoriteiten in dié richting gesproken, gewerkt, geageerd.

Zoo lezen wij in De God-looze van 29 Juni 1934 (dus van den aüerlaatsten tijd): „De communistische opvoeding van het kind beteekent natuurlijk ook noodzakelijkerwijs zijn opvoeding in anti-godsdienstige richting".

Kort te voren (13—15 Juni '34) was daar te Moskou een congres gehouden, waar afgevaardigden van 28 wetenschappelijke instellingen samenkwamen om vooral twee vragen onder de oogen te zien: le „Welke argumenten brengt de geloovige naar voren om zijn godsdienst te verdedigen" en 2e „Hoe kan men de contrarevolutionnaire rol van alle godsdiensten en kerken in dienst van het imperialisme ontmaskeren, inzonderheid de contra-revolutionnaire

Sluiten