Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rol van godsdienst en kerk in het land der Sowjets".

Alleen de vermelding van deze beide punten van het program der „wetenschappelijke" vergadering spreekt boekdeelen.

In 1929 (Izvestias, 26 Maart) spoorde Loenatcharsky aan tot verscherpt optreden tegen godsdienstige onderwijzers: „Men moet, zoo sprak hij, een actie op touw zetten tegen het

geloovige onderwijzend personeel Geloovige

onderwijzers, dat is een dwaze tegenstrijdigheid in de termen zelf: men moet elke gelegenheid benutten om ze door anti-religieuze onderwijzers te vervangen".

In 1934 (De God-looze 17 Juni) wordt nog steeds hetzelfde wachtwoord gegeven, zonder eenige hoop op verandering van koers: „De schoolinrichtingen der Sowjets moeten strijdende God-loozen voorbereiden."

Bovendien deelt de God-looze van 17 Aug. j.1. mede, dat een groote samenkomst van onderwjjs-krachten den lsten Augustus te Moskou plaats vond, op initiatief van het Commissariaat van onderwijs, den Centralen Raad der God-loozen en de Unie van arbeiders bij het onderwijs.

Welke belangrijke vragen waren daar aan de orde van den dag? Het lage peil van het onderwijs in de Sowjet-Unie? De verwaarloosde jeugd? De treurige positie der onderwijzers? Neen, uitsluitend en alleen dit machtige probleem: „Hoe kan men het best de jeugd in militant atheïsme opvoeden!" Sapienti sat.

Het Commissariaat van den arbeid laat zich al evenmin onbetuigd.

De God-looze van 17 Mei 1934 vestigt de aandacht op een wenk, dien Yaroslavsky aan de arbeiders geeft, en waarin hij zegt, dat het onmogelijk is een nieuw leven en een nieuwe maatschappij in het leven te roepen, zonder vooraf „alle godsdienstige denkbeelden uit den menschelijken geest te hebben gebannen."

„Wie vóór het socialisme strijdt, moet tégen den godsdienst strijden", zeggen de leiders op allerlei toon.

Maar erger is, dat men de geloovige arbeiders

Sluiten