Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rische, waar o.a. Sanherib over heerschte, die in Hizkia's dagen tevergeefs een aanval op Jeruzalem ondernam. In vroeger dagen reeds de Egyptische, die zich gedurig liet gelden in den strijd om de wereldheerschappij.

Al die wereldrijken zijn voortgekomen uit den geest, dien we reeds aantreffen bij de torenbouwers van Babel, die spraken: „Kom aan, laat ons voor ons eene stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij; en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gansche aarde verstrooid worden!" Willen we meer van dien geest weten, dan kunnen we terecht bij Lamech uit Kains geslacht, die zich eens aldus uitte: „Ada en Zilla, hoort mijne stem! Gij vrouwen van Lamech! neemt ter oore mijne rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood om mijne wonde, en een jongeling om mijne builen."

En nog zijn we er niet! Klinkt in dat „lied van Lamech" de stem van den mensch in vermeende hoogheid, die zich — als ware hij God — het recht over leven en dood aanmatigt, dan is het toch wel duidelijk, met wat voor geest wij te doen hebben! Onwillekeurig immers gaan onze gedachten terug naar den aanvang der Historie, naar het Paradijs, waar we de slang met haar verleidende stem tot de vrouw hooren zeggen: „Gij lieden zult den dood niet sterven, maar God weet dat, ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden en

Sluiten