Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer wij letten op hetgeen de moeder van Hem, die daar nedergelegd werd in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg, vóór Zijne Ontvangenis en geboorte te hooren kreeg uit den mond van den engel Gabriël: „Vrees niet, Maria! want gij hebt genade bij God gevonden; en zie, gij zult bevrucht worden, en eenen Zoon baren, en zult Zijnen naam heeten Jezus. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem den troon van Zijnen Vader David geven."

„Den troon van Zijnen Vader David". Wie herinnert zich niet den klank, die de naam „David" 'heeft in de Godsopenbaring, in het Oude Testament voor ons bewaard? In het Profetische woord is daaraan verbonden al wat „heil" heet. Heeft niet de Heere bij Ezechiël gesproken aangaande het door het oordeel heen door Hem te redden volk: „En Ik zal een eenigen Herder over hen verwekken en Hij zal hen weiden; n.1. Mijn knecht David: Die zal ze weiden en Die zal hun tot een Herder zijn! En Ik, de Heere, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen; Ik, de Heere, heb het gesproken"? (34 : 23, 24). Heeft de Heere niet bij monde van Jesaja reeds vroeger als het groote geluk voor het naar heil dorstende volk beloofd: „Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheid Davids"? (55 :3).

Sluiten