Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de uitkomst: de oprichting van het koninkrijk Gods (vs. 16, 18), en Wiens blik ih de heerlijkheid reikte zoodat Hij tot Zijne jongeren sprak: „En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft; opdat gij eet en drinkt aan Mijne tafel in Mijn Koninkrijk en zit op tronen, oordeelende de Twaalf Geslachten Israels" (vs. 29, 30), nu in eens dat lijden liefst ziet voorbijgaan en dien drinkbeker liever niet drinkt! Dat komt ons vreemd voor, vooral als wij denken aan den nadruk, dien de Heere Jezus zoo menigmaal gelegd heeft op de noodzakelijkheid van dat lijden, b.v. toen Hij na de bekende belijdenis van Petrus Zijnen jongeren aankondigde: „De Zoon des menschen moet veel lijden en verworpen worden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden en ten derden dage weer opgewekt worden" (9:22). Wij kunnen het ons eigenlijk niet indenken, dat de Heere Jezus ook maar een oogenblik gedacht heeft aan de mogelijkheid, dat Hem dat lijden zou kunnen bespaard worden. Werd dat lijden Hem bespaard, dan zou Hij immers Zijn Middelaarsambt niet ten einde toe hebben vervuld, d.w.z. dan zou het doodgeloopen zijn.

Geliefden! Wat wij daar straks gelezen hebben uit Hebr. 5 verschaft hier eenig licht, n.1. wat daar geschreven staat van „gebeden en smeekingen", die de Heere Jezus in de dagen Zijns vleesches met sterke roeping en tranen

Sluiten