Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor Farao als voor de wateren van het Roode Meer. Daar spreekt de Heere tot Mozes: „Wat roept ge tot Mij?" terwijl we van geen roepen tot God iets vernemen. Terwijl Mozes tot Israël sprak, hen wijzend op het heil des Heeren, is daar een onuitgesproken zuchten opgestegen: een onuitsprekelijk zuchten des H. Geestes. Zoo heeft de H. Geest ook voor Hiskia gebeden met onuitsprekelijke zuchtingen, — en Juda's koning piepte als een kraan en zwaluw, kirde als een duif. Zoo doet de Geest voor en na bij alle ellendigen Gods. Hij bidt in hun binnenste met onuitsprekelijke zuchtingen. Zóó maakt Hij hunnen nood daar boven bekend, zoo stelt Hij hen in verband met den God huns levens, zoo brengt Hij hen aan het harte Gods, zoo leidt Hij hen binnen in de schatkamer zijner genade. IV

Zoo mogen wij vroolijk zingen: wij hebben immers volkomen zekerheid dat de Heere zulke zuchten, ontglijdend aan ons hart, opmerkend gadeslaat. Want onze tekst zegt ons ook, met welk gevolg de Heilige Geest onze zwakheden mede te hulpe komt, voor ons biddend met onuitsprekelijke zuchtingen: „En Die de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt."

Daar wordt ons dus de geheel eenige kracht van des H. Geestes gebed voor ons voor oogen gesteld. Die onuitsprekelijke zuchtingen des H. Geestes zijn voor menschen ten eenenmale raad-

Sluiten