Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REGEN

Toen kwamen dagen van eindloozen regen, Van heel diep treurende muziek, die speelde Van den hemel en de dake' en verveelde Mijn groot warm hart, in het zonlicht gedegen.

En geen, die niet in 't moedelooze deelde En gedwee mee-weende, en zich niet verlegen Over zichzelf boog, want wie had gekregen Zooveel blij's, dat binnen een vogel kweelde?

Ook ik boog neer en kon niet vroolijk zijn, Maar toch droeg ik de vlam van heerlijk weten

Met me en stroomde door 't bloed een versche wijn.

En 'k dacht aan hen in wier vaneengereten

Ziel hun weene' een eendre muziek deed zijn, En ik was stil - ik was mijzelf vergetenl

MORGEN ESI DE BERGEN

De zilvren morgen steeg over het dak Het leek of aan de steenen rozen bloeiden. De bleeke nevels weke' en reze' - en groeiden

Als witte anempne' in 't licht heelal.

Toen rijpte 't klare zonlicht zelf, en vloeide Als zuiver-blanke room van wal tot wal, Tot het op eens in overvollen val

Het vale meer met brandend goud besproeide.

Zoo stijgen zacht de sdhimmen uit mijn donker, Tot zij voor de' adem van den dag verzinken, Zoo bloeit een bloem uit eiken zonneflonker,

Tot op eenmaal als 'n bron mijn hart te blinken Ligt voor iedereen - ol hoor stil, wat klonk er: Is het een mensen, die uit dat hart komt drinken?

Sluiten