Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EPISCH FRAGMENT De Zondagmiddag is vol waardigheid; De feestlijkheid der mensche' is de aardigheid Van heel den langen heven dag: de grond Is schoon van 't waaie' en hard en grijs, maar blond In 't park of bruin, van platgetreden blaren Een zacht tapijt voor wandelaars; de klare En vriendelijke zon lacht in het blauw Der lucht - witgepenseeld, de bitse kou Bijt in de roode wange' als appels, de oogen Zijn vol van 't versch Novemberweer, de droge Fleurige weg is vol van kleur, de schoenen Kraken, de stijf-satijnen rok ruischt, zoenen

Klappen soms * " "

Zie: de man, de vrouw, de kinders

- De hupsche kleine' als opgezette vlinders -

Wandelen knus, pleizierig-ferm, maar dertig

Vooral in 't openbaar, - geen mensch is heftig;

De mindre man - kleiner gefortuneerd,

Die toch, gezete', in goeden doen verkeert -

Drijft zachtjes naast zijn vrouw den kinderwagen

Vóór zich, tevrede' in ernstig welbehagen;

De dienstmaagd vrijt - zij heeft haar dag - en pronkt

Aan de' arm van een soldaat, - langs zijn rug lonkt

Ze heel gezellig kneutrig naar een ander,

Een kameraad, - 't lijkt: alles kent elkander;

Soms glipt een gladgepoetste equipage

Ietwat stoutmoedig voort langs zoo'n vrijage;

Hoog boven allen gaan de drukke sportlui,

Ook Zondagsch aangedaan in witte trui.

Elk denkt aan 't zijn': - de man aan zijn pantoffels, Zijn borrel, 't maal, - zijn vrouwtje aan de stoffels Van dienstbode' en aan de kleintjes - en fêt Op Jan en Jans, die in de Zondagspret

Sluiten