Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarboven ging het leven heen, Dat een geweldig wonder scheen Doch ik lag veilig daarbeneden Bij al mijn kleine heerlijkheden.

Ik groeide boven 't groote graan, Mijn kleine hart kreeg vleugels aan,

De blauwe lucht had me opgetogen -

De akker zonk mij onder de oogen, Ik zag het korenland benêe, Dat golfde als een gele zee -

Toen borst mijn hart en ging ik zingen

Van al die eindelooze dingen.

Of ik al tusschen 't koren keer, Nu vind ik daar mijn nest niet weer: Ik ben benêe in 't graan geboren, Toch moet ik leven boven 't koren, En zien hoe 't il te zamen waait En groeit - en geelt, en wordt gemaaid Maar mijn geluk en mijn verlangen Zijn aan het koren blijven hangen I

DE NACHTEGAAL Door de avondwereld

Gaat geen geruisch Alleen één vogel

Gaat stil naar huis.

Een purper boompje

Staat heel alleen Daar vliegt op eenmaal

Een vogeltje heen.

Dat gaat aan 't zingen Dat zingt zoo hard - -

Dat zingt weer wakker Mijn arme hart!

Sluiten