Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om zijn beenen gebonden, want bij heeft beneden in de vochtigheid gestaan. Het slijk en het klotgemul zitten tegen zijn bokspijpen geklonterd. Simon Wijnands vat bij het stapeltje klot, dat te drogen is gezet, zijnen jas, dien hij daar had neergelegd, hij doet zijnen jas aan. Dan vat hij zijnen knik en zijn drinkenskruik, gooit die aaneengebonden over zijnen schouder, en gaat naar huis.

—Simon loopt over den weeken, drabbigen grond. Hij neemt zijnen sprong over den loop, hij loopt over een wankel drijvend bruggetje en komt op den pad naar zijn huis. Nu loopt hij en komt langs een peelvlooske, wit van het vlokkige bloeiende pluimgras, en ziet in 't water de klaarte der vloeiing van het licht. Eenen vogel vliegt er mee 'nen korten schreeuw laag overheen. Simon Wijnands loopt mee stevige stappen en de verre nacht komt hem tegemoet, langs de wondere klaarte van den hemel. De peel heeft haar stem. Het gegons van de stilte, het ontstaan van de dooltochten van den wind door het klagende halmgras en de hei, de wind die stroomt, stroomt als koel water. Simon Wijnands houdt den kop gebogen. Dat doen hem zijn gedachten. Simon is niet zoozeer moe, al maakt hij zijn dagen lang, nu in den vroegen zomer, den besten tijd voor het steken van den klot. Hij steekt zijn stokken en telt ze en is tevreden over het gemaakte daggeld. Daar kommen harder tijden. Den herfst, den winter. En we moeten leven. Nietwaar? Ook Simon Wijnands moet leven. We moeten brood op tafel hebben om het stevig in onzen buik te stoppen. Hij kan het mee stapels aan, diejen Simon. Zijn wijf

Sluiten