Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongsten stonden wat verschrikt en bedeesd, dat dat vader was, mee zijn andere kleer, die hem 'nen vreemden mensch maakten. Maar Marieke, de oudste, de kleine moeder, ze namp Pietje en Klaaske en den kleinen Huub en Doratje, het jongste, bij de handjes en ze kwam bij vaders. Moeder stond daarbij. Simon zee tegen zijn vrouw: Bè, wa kiekte ge?„ —Ja, ze moest kijken naar haren mensch. Zij moest wezenlijk evekes lachen, omdat haren mensch zoo vreemd eruit zag. Ze was zoo sakkerdiesch blij. Ze gaf Marieke den koffiemeulen en de bus mee boontjes en Marieke, mee den meulen in haren slip op 'nen stoel, begost te malen en Simon snoof den goeden geur. Moeder deed houtjes en klot in de kachel en zij zette 'nen moor putwater te koken. Ze had waarachtig 'nen zak toebak en daar kwamp ze mee bij haren mensch. Hij viet den toebak en stopte zijn pijp. Nadien rookte hij. Hij zat daar te zwijgen. O, hij zee niks, da den herd zoo schoon op order was en dat er gepoetst en geschrobd was, en dat de jong daar stonden, helder aangedaan. Hij zee niet eens: dank oe, voor den toebak. Och, misschien stelde 't Door wel teleur, misschien had ze 't zijn eigen schooner en treffender voorgesteld. —Marieke maalde den koffie, en het regende aan de ruit en op den helderen vloer lag den weerschijn van den gloed uit 't pookgat in den pot van de plattebuiskachel. Simon Wijnands, in zijn zwijgen, hij gevoelde de goede tevredenheid in zijn ziel. Hij zee ten laatste tegen zijn vrouw: ge bent 'n pront wijf, da zeg ik oe.

Sluiten