Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt als een klink rammelt of een scharnier jankt. Een groote en machtige vuist splijt de donkere raam, gooit het horretje om en scheurt mee rukken het valgordijn vaneen. Eenen heelen langen mensch staat in den herd. Hij heeft zijnen jas toegeknoopt om den bleeken hals en om zijn wit gezicht. Hij heeft op iedere wang bij het jukbeen een donkere bloedvlek en zijn machtige vuisten aan de lange armen zwerven overal. Die vuisten wandelen door het vertrek, ze wandelen hun schaduw langs de muren tegemoet en glijden langs den zolder en dalen mee slagen op de tafel neer. Zij openen de laaj en maken zich meester van de rinkelende, van de ruischende stroomen gelds. Tusschen de vuisten als de gestalten van rukwinden nadert de lange bleeke man, en de bloedvlekken onder de jukbeenderen worren dieper. Een vuist heeft een lang mes, wit van scherpte. Jan Oüe moet zien, zonder te kijken. Hij moet diep en vast slapen, dat hij ongehinderd büjft. Een kreet van afgrijselijken schrik ügt verstomd in zijn dikke keel en hij kan geen asem meer halen als de scherpe punt van het bünkende lange mes prikkend over zijnen voorkop danst en zich stüzet om hem te doorsteken. Dan schreeuwt Jan Oüe, luid en hoog, en hij hoort evekes later in de diepe en zachtdoorwaaide stilte van den nacht het wakke verklinken van zijn eigen stem. —Jan Oüe, nat van 't zweet, ügt te hijgen en kijkt rond. Hij is grif alleen. Hij ziet flauw het vak van de raam in den nacht en hij hoort den harden, tiktak van de klok in den leegen en stillen herd. De dekens en de stüte drukken hem.

Sluiten