Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming over achteruitzetting in vergelijking met andere groepen van rijkspersoneel opnieuw sterk heeft doen gevoelen;

2°. dat de wijze, waarop zij in het overleg met de Regeering zullen worden betrokken, niet afhankelijk behoort gesteld te worden 'van het oordeel der ambtenarencentrales;

3°. dat, buiten eenig verband met de huidige malaise, een opschuiving van de onderwijzers in de salarisschalen het eenig afdoende middel is om in hun, uit maatschappelijk en onderwijskundig oogpunt, onvoldoende salarispositie verbetering te brengen.

Namens het Bestuur van de Onderwijs-Centrale, (federatie van:

Het Nederl. Onderw.genootschap.

De Unie van Chr. Onderwijzers en Onderwijzeressen in Nederland.

De Vereeniging van Hoofden van Scholen in Nederland.

De Vereeniging voor M.U.L.O.

De Ned. Bond van Leeraren en Leeraressen bij het Nijver heidsond erwijs.

De Bond van Onderwijzeressen bij het Voorbereidend Onderwijs.

De Ver. van Leeraren en Onderwijzers in de Lick. opvoeding in Nederland.)

H. J. Bon, Voorzitter. W. F i e g g e n , Secretaris.

Amsterdam, Maart 1931.

Sluiten