Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op den top van de steile rots, vanwaar men een prachtig vergezicht heeft op het wijde watervlak, stonden de vrouwen en kinderen geschaard. Ze stonden daar eiken avond uit te zien naar de zeilen der pedèwa's.

„Vandaag zullen ze zeker komen!" zei Boek Darjan tegen Boek Griwoe.

„Ik hoop het," sprak deze met een zucht.

Niemand werkte meer op Goea-Goea. Het verlangen was te groot. Reeds bij 't aanbreken van den dag stond men bijeen, hoog op de zwarte rots.

„Ze moeten vandaag komen," sprak de oude Wanda, dezelfde die Bagong geholpen had bij 't maken van zijn lètek-lètek.

„En waarom, Pa Wanda?"

„Wel, anders vrees ik het ergste! Zie: de zee is inktzwart en de lucht drijft dreigend uit het Westen." „O, Allah! zouden we storm krijgen?" „Ik verwacht van wel!"-

Scherper nu tuurden allen naar den gezichtseinder. „Ik zie een zeil," riep Bagong. „Ik ook. Ik ook. Twee. Zes. Acht zeilen! Ze komen, ze komen!"

Inderdaad kwam de singi-vloot met verrassende snelheid aanzetten. Elk oogenblik telde men er meer. Weldra kon men de schepen onderscheiden.

„Dat is de Sri Kedéli van Temmin."

„En dat de Sri Boentok."

„Zeg, zie je de Sri Bintang van vader niet?" vroeg Adin aan haar broeder. „Hij is altijd mee vooraan!"

„Ik zie niets," zei Bagong norsch.

De vloot kwam steeds nader. Men kon de manschappen reeds onderscheiden. Ze wuifden van ver! Hei,

Sluiten