Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En als de blanke vraagt of hij zoo'n schedelrek kan koopen, wordt dit verzoek met verontwaardiging afgewezen.

„Wat zullen de Dimdim er mee doen?" vragen ze. — Spotten over de machteloosheid van de mannen van Urama, die nu nimmermeer van die heerlijke sneltochten mogen maken? Waarom is hun dit eigenlijk verboden? Als de witmenschen vechten, maken zij immers dooden bij honderdduizenden door hun poeri-poeri (tooverkunsten).

Maar nu begint de tolk van den blanke op het gemoed te werken van de dappere krijgers van Kway.

„Aan den overkant van het groote water," zegt hij, „wonen de witmenschen in enorm groote dorpen met steenen Doeboes. In die Doeboes bewaren ze al wat er op de wereld voor merkwaardigs is te zien. Dat moois blijft daar altijd liggen — en zoo zal iedereen nog de schedels en wapens van de dapperen uit Urama bewonderen als Kway en de zijnen reeds lang zullen zijn gestorven!

Dat verandert de zaak. Als de Dimdim, wier groote Geest het koppensnellen verbiedt, zooveel eer wil bewijzen aan de mannen van Urama, dan mag men hun de schedels niet onthouden.

En nu gaat Kway met zijn manschappen, in het voorportaal beraadslagen. De zaak gaat hun zeer ter harte. Maar tenslotte komt de generaal terug. Het schedelrek kan hij niet afstaan, zegt hij, dat is het erfdeel zijner kinderen. Maar hij wil de Dimdim toch ter wille zijn. Hij zoekt een der beste schedels uit, bekijkt het afschuwelijke ding lang en aangedaan, alsof hij er noode van kan scheiden en legt het eindelijk voor den blanke

Sluiten