Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Raden Romo en Déwi (prinses) Sinto!" En terwijl ik hun lotgevallen vertel, zult ge begrijpen, hoe het menschelijk leven is als een gebatikte sarong die uit lichte en donkere draden bestaat: een mengsel van zangen en zuchten — een wisseling van gejuich en geween. — Luister slechts.

In het land van Matili woonde koning Dosoróto^ie vier zoons had. Van die zonen was Raden (= fc&riS) Romo de dapperste en de schoonste. Reeds als knaap verrichtte hij de grootste heldendaden. Zoo trad hij eens, in zijn prachtigste gewaden gedost, waarvan de edelsteenen schitterden als zonnevlammen, twee bóetoe's (reuzen) tegemoet, die hij met zijn tweesnijdend zwaard versloeg. Geen wonder, dat Romo de lieveling zijns vaders en de afgod van zijn volk werd. Ieder hoopte, dat hij spoedig een schoone en beminnelijke Prinses mocht huwen, opdat die twee dan, wanneer Romo's vader te oud en te zwak was geworden om te regeeren, koning en koningin zouden worden in het land van Matili.

Nu woonde er in een naburig rijk een koning, Djanoko genaamd, die een schoone en lieflijke dochter bezat, Déwi Sinto geheeten.

Deze jonkvrouw was even deugdzaam en rechtschapen als haar vader en hoewel tal van vorsten en prinsen haar tot gemalin wenschten, kwam geen hunner voor die hooge eer in aanmerking. Want koning Djanoko had de goden gevraagd, aan welke dezer vorsten of prinsen hij zijn dochter mocht uithuwelijken. En de goden hadden geantwoord, dat slechts hij met de Prinses mocht trouwen, die den Gandéwo kon spannen. Die Gandéwo was een reusachtige boog, welke door

Sluiten