Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zullen rechtvaardigen zooals God het toch van ons verwacht

en eischt Voor ons geldt het: uithouden, zoo het zijn moet.

tot het bitter einde Wij willen niet sterven, maar wij moeten

sterven."

In de reeds genoemde verordening van 8 April 1929 wordt bevolen, dat de cultusdienaar slechts in de woonplaats van de leden van de godsdienstige gemeenschap en alleen in het gebouw voor den eeredienst mag werken. Dat beteekent, dat voortaan alle diaspora-arbeid onmogelijk wordt gemaakt. Is zoodoende het geestelijke ambt niet een gestadig martelaarschap, dat slechts de allersterkste naturen in staat zijn uit te houden?

Voor de ingewijden was het eigenlijk al duidelijk, dat de Evangelische Kerk van Rusland als kerk ten doode stond opgeschreven. Het afgdoopen jaar ontnam ons ook de laatste hoop op een verbetering van haar toestand.

Van twee kanten volgt de aanval op kerk en geloof. Eenerzijds worden aonder meer de kerken gesloten en de predikanten in de gevangenis geworpen. Vooral het Kerstfeest was voor vele atheïstische dubs een aanleiding om zich een heele rij godshuizen toe te eigenen. In de Wolgakoloniën werd de grootste kerk (in Katharinenstadt — Marxstadt), de trots der kolonisten, op Kerstavond door een goddelooze bende bezet, van haar zinnebeelden beroofd en in een „cultuurpaleis" veranderd: waar het altaar stond, werd een tooneel opgeslagen. Ongeveer een derde ded der predikanten aan de Wolga werd in de gevangenis geworpen. Uit de andere gebieden berdken ons soortgelijke berichten.

Anderzijds snijdt men ook de meest verborgen wortels van het geloof en van de godsdienst door op een wijze die zich gehed onschuldig als maatschappelijke maatregel aandient: de collectiveering van het landbouwbedrijf hebt in laatste instantie het huisgezin op om daarmee de religie in haar wortel te treffen. Men vorme zich zdf eens een voorstelling van den toestand, die de collectiveering veroorzaakt, aan de hand van ons bericht over de nieuwe landbouwwetten: het eigenlijke doel en de eigenlijke zin ervan is de volkomen wegname uit het bestaan van al het goddelijke en daarmee van al het menschdijke. Aan deze wet staat het meest in den weg: iedere werkzame, vlijtige boer, die zich en de zijnen een dragdijk bestaan wil geven. Ze trof daarom het eerst en het zwaarst de Duitsche kolonisten. De dwangmiddelen tegen de boeren heeten: „belastingen, zóó hoog, dat ze niet op te brengen zijn; „vrijwillige" belastingen; staatsleeningen, die onder dwang worden toegezegd; gtaanver schaffing. Iedere boer moet al zijn graan aan den staat verkoopen. Van ieder wordt een bepaalde hoevedheid geëischt. Is deze geleverd, dan wordt er een nieuwe omslag ge-

Sluiten