Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch voor Al-Russische congressen bijeenkomen. Voor deze laatste was weliswaar in ieder afzonderlijk geval een speciale permissie mogelijk (instructie van de afdeeling Eeredienst van het ministerie van justitie van 27 April 1923), doch in werkelijkheid werd zij slechts met de grootste moeite verkregen en door de later bijgevoegde censuur op reeds genomen besluiten werd ze bovendien nog illusoir. (Verklaring van 18 December 1918) Tegenover den staat was de kerk dus naar de strekking der wet alleen een ongetelde hoeveelheid individuen; ze was van rechtswege in onderdeden verdeeld en de besturen behoefden dus slechts met geweld te dwingen wat theoretisch toch al knap uitgeteekend was.

De vorm, onder welke de staat de godsdienstige vereenigingen van lager orde tolereerde of wettelijk niet verbood, was tot 1929 tweeledig: Ze verkregen hun erkenning of als zoogenaamde: „Groepen voor Eeredienst" met tenminste 20, óf als „godsdienstige genootschappen" met tenminste 50 leden. Beide vormen waren toegankelijk voor alle burgers boven de 18 jaar, alleen was de vorm van opname verschillend. Bij de groepen voor eeredienst was alleen de kennisgeving van lidmaatschap voldoende, bij de godsdienstige genootschappen besliste voor ieder op zichzelfstaand geval de Algemeene Vergadering. Het doel van deze verdeeling in tweeën was uit de wetstodichting van 11 April 1924 duidelijk. Volgens deze hadden namelijk de z.g. „godsdienstige genootschappen*' reeds a priori meer rechten dan de confessioneele „eeredienstgroepen", doch ze waren zoo gevormd, dat in hun bevoorrechte rijen meest alleen leden der revolutionaire kerk of der sectaristen konden treden, terwijl de overige genootschappen, dus vooral de bij den staat niet geziene Tychonowzen, zich eenvoudig met de registreering als minderwaardige „eeredienstgroepen" moesten tevreden stdlen. Aanstootelijk gedrag of losbandige levenswandel mochten en mogen tot heden op zichzelf geen beletsel voor de opname van gdooyigen vormen. („Modelstatuut van een godsdienstig genootschap" gepubliceerd als bijvoegsel bij de instructie van 27 April 1923; in het exemplaar „Odessa", zonder datum, Art. II § 10, opm. 2) Aan den anderen kant is ook tegenwoordig nog het gelijktijdig lidmaatschap van twee of meer godsdienstige genootschappen uitgesloten.

Alle lagere godsdienstige vereenigingen hebben het recht, godsdienstoefeningen te houden, sacramenten te doen bedienen en het recht van vrije geloofsbelijdenis. Hun taak is verder het „aanwakkeren van den geest van broederschap en gelijkheid onder hun leden, zooals ze gegrond zijn op het principe van den algemeenen productieven arbeid". Wat de kleinere godsdienstige genootschappen tot 1929 niet hadden, was rechtspersoonlijkheid. „Daar ze geen

Sluiten