Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegelijk predikt Jezus, dat het Koninkrijk Gods met zijn komst een aanvang neemt en reeds verschenen is. Als Hij in de synagoge van Nazareth predikt naar aanleiding van de profetie uit Isaias 62 : 1,2, begint Hij met te zeggen: „Heden is dit woord in uwe ooren vervuld".1) En tevens blijkt uit Zijn prediking dan steeds duidelijker, dat het Koninkrijk, dat Hij komt stichten, anders is dan men verwachtte. Het heeft niets met aardsche macht en uitgestrektheid en heerlijkheid te maken; het behoort niet tot deze wereld,8) het is het Koninkrijk van waarheid en licht, van vergeving en genade, van leven en gerechtigheid, van heil en zaligheid. Jezus bedoelt er mede: de geestelijke gemeenschap of maatschappij, die gevormd wordt door allen, die in Hem als den Verlosser gelooven en zich door Hem met God laten verzoenen, die door Hem vergeving van zonde ontvangen en een nieuw, heilig leven beginnen als nieuwe, herboren menschen. Ieder, die dat begeert en doet, behoort tot zijn Koninkrijk. Het Koninkrijk is er dus, maar komt ook nog voortdurend. Hoe meer menschen het gaat omvatten, hoe grooter zijn invloed wordt op de geheele menschheid. Vandaar dat Jezus in zeer vele gelijkenissen van dat Koninkrijk spreekt en daarin laat zien, welk leven er in dat Koninkrijk heerscht, welke wetten er gelden en welke zaligheid er aan verbonden is. Zoo leze men bijv. de zeven gelijkenissen van Mattheüs 13 en elders.8)

Men kan de vraag stellen, of Jezus iets nieuws predikte. Hij zelf heeft verklaard, dat Hij niet kwam om Wet en Profeten te vernietigen of af te schaffen, maar om ze te vervullen.4) Die „vervulling" nu was inderdaad het nieuwe. Jezus maakt het oude nieuw. Hij brengt den diepsten zin van het oude aan het licht en wijst het gebrekkige aan, dat de opvatting der menschen van het oude gemaakt heeft. In dat licht moet men lezen Mattheüs 5, 6 en 7, de zg. Bergrede van Jezus, die men wel de grondwet van zijn Koninkrijk genoemd heeft. Deze Bergrede vangt aan met de „Zaligspre-

') Lk. 4:16—21.

») Lk. 17:20, 21, Joh. 18:36, 37.

*) Mt 18:1 w., 23 w., 20:1 w., 21:33 w., 25:1 w., 14 w.,

Mk, 4:26 w., enz. *) Mt 5:17, 18.

Sluiten